De Olympische Spelen en de wereldwijde verspreiding van het Kōdōkan-judo door Jigorō Kanō

De Olympische Spelen en de wereldwijde verspreiding van het Kōdōkan-judo door Jigorō Kanō

Voorwoord

In 2020 worden in Tokio de Olympische en Paralympische Spelen gehouden. Zoals u weet, is dit de tweede keer dat de Spelen in Tokio plaatsvinden; de eerste keer was in 1964. Vóór de oorlog (in 1936) nam Jigorō Kanō, die destijds lid was van het Internationaal Olympisch Comité, de leiding en slaagde hij erin om de Olympische Spelen voor het eerst naar Azië te halen. Deze zouden in 1940 plaatsvinden in Tokio. In juli 1938, slechts twee maanden na het overlijden van Kanō-shihan, verslechterde de situatie echter door de Tweede Chinees-Japanse Oorlog en moest Japan de Spelen in Tokio laten varen. Deze Spelen zouden later bekend worden als “de Spelen van Tokio die nooit mochten zijn”. De Tweede Wereldoorlog had niet alleen een nadelige invloed op de Olympische Spelen en de sportwereld, maar heeft ook veel schade toegebracht aan de ontwikkeling van het Kōdōkan-judo, dat destijds al wereldwijd was verspreid.

Hieronder wil ik graag een deel van het onderzoek uitlichten dat ik heb verricht naar het thema “de Olympische Spelen en de wereldwijde verspreiding van het Kōdōkan-judo door Jigorō Kanō”.

Wereldwijde verspreiding

In 1909 werd Kanō-shihan op verzoek van de voorzitter van het IOC, baron Pierre de Coubertin uit Frankrijk, lid van het IOC. In 1923 deed hij als delegatiehoofd voor het eerst mee aan de 5e Olympische Spelen in Stockholm. Daarna was Kanō-shihan nog diverse malen betrokken bij de Olympische Spelen in vooral Europa. Hij combineerde deze werkzaamheden met de verspreiding van het judo.

gunji-koizumi2
Gunji Koizumi met een wel heel lange leerling

Opmerkelijke activiteiten ontplooide hij in de Budōkai (Budokwai) in Londen, Engeland. Kanō-shihan kreeg in 1920 bezoek van de Japanners Gunji Koizumi en Yukio Tani, die zich hier al hadden beziggehouden met de verspreiding van het jiujiutsu (Ju-Jutsu). Hij liet ze toe tot de Kōdōkan en vestigde op die manier een basis voor de verspreiding van het judo. Koizumi en Tani waren typische voorbeelden van Japanners die Japan halverwege de Meiji-periode (1868-1912) hadden verlaten om het jiujiutsu in Europa te verspreiden. Vooral Koizumi wierp zich op als vertegenwoordiger van Kanō-shihan en hield zich bezig met de verspreiding van judo in Europa. De reden waarom Koizumi zich zo wijdde aan het “judo” van Kanō-shihan moet gezocht worden in de pedagogische gedachte en de logica erachter. In zijn boek “My Study of Judo” stelt hij: “De Kōdōkan is een pedagogische organisatie zonder winstoogmerk, die een diepe indruk op mij heeft gemaakt vanwege haar wetenschappelijke en vooruitstrevende aanpak op basis van pedagogische ideeën en principes.” Met de Budōkai als centrum werd het judo geleidelijk aan verspreid in Engeland. Het plan was om van de Budōkai later een afdeling (vereniging van dan-houders) van de Kōdōkan te maken.

 

yukio-tani
Yukio Tani

In Amerika ontplooide Kanō-shihan dezelfde activiteiten als in Engeland. In Hawai bezocht hij vanaf 1913 bijvoorbeeld meerdere dojo, die uiteindelijk op natuurlijke wijze de overstap van jiujiutsu naar judo maakten. Op dezelfde manier werd het judo op het Amerikaanse vasteland, en dan vooral aan de West Coast, populair na bezoeken van Kanō-shihan. Judo werd zelfs een onderdeel van de identiteit van Japanse immigranten.
Het prestige dat Kanō’s positie als IOC-lid meebracht, jaagde de verspreiding van het judo nog meer aan. In juli 1933 had Kanō-shihan tijdens zijn bezoek aan Berlijn (Duitsland) bijvoorbeeld een ontmoeting met de toenmalige premier Adolf Hitler. Daarna verkreeg het judo in Duitsland een vaste positie binnen het Ministerie van Sport, om zich met grote snelheid verder te ontwikkelen. Destijds wilde Duitsland haar nationale prestige vergroten op de 11e Olympische Spelen in Berlijn van 1936, en er zijn indicaties dat judo zou worden geïntroduceerd als Olympisch onderdeel. In dezelfde periode kondigde Kanō-shihan in Berlijn zijn ideeën over een “Judo Wereld Federatie” aan. Maar donkere wolken pakten zich samen aan de vooravond van de Tweede Wereldoorlog, en uiteindelijk leidden de acties van Duitsland tot een breuk met de Britse judowereld.

Judo en de Olympische Spelen

kano_berlijn_spelen_1936Hoe zag Kanō-shihan de Olympische Spelen? Kort gezegd steunde hij de zogenaamde Olympische Beweging. Hij zag deze beweging als een manier om 1) lichamelijke opvoeding voor de jeugd te stimuleren, 2) via toernooien tot vriendschappelijke ideeën te komen en 3) een positieve invloed op het nationale sportwezen uit te oefenen door een stroom aan getalenteerde atleten voort te brengen. En zoals ik aan het begin al had aangegeven, spande Kanō-shihan zich in om de 12e Olympische Spelen naar Tokio te halen. Juist omdat de Olympische Spelen zich de wereldwijde verspreiding van lichamelijke opvoeding ten doel hadden gesteld, vond Kanō-shihan het zinvol om de Spelen niet alleen in Europa, maar ook in Japan te houden. Kanō-shihan was enthousiast over Westerse sporten, maar vond dat ook de Oosterse sportcultuur (judo) goede eigenschappen bezat. Hij dacht dat de uitwisseling van ideeën voor een gezamenlijke ontwikkeling kon zorgen. Dit lag geheel in lijn met de gedachte van Jita Kyōei (wederzijdse voorspoed voor jezelf en anderen).

Judo is meer dan een sport of een spelletje. Het is een levensfilosofie, een kunst, een wetenschap. Het is een manier om mensen en culturen naar een hoger niveau te tillen.

 

Maar hoe stond Kanō-shihan tegenover judo als Olympisch onderdeel? In de hiervoor genoemde Britse Budōkai ligt een in 1936 opgesteld document over de gesprekken tussen Kanō-shihan en Koizumi, genaamd “Judo and The Olympic Games”. “Op dit moment sta ik negatief tegenover judo op de Olympische Spelen. Judo is meer dan een sport of een spelletje. Het is een levensfilosofie, een kunst, een wetenschap. Het is een manier om mensen en culturen naar een hoger niveau te tillen. De Olympische Spelen zijn sterk nationalistisch getint, en dit zal zijn weerslag hebben op de ontwikkeling van competitief judo (Contest Judo). Judo is als kunst en wetenschap niet gebonden aan politieke, internationale, raciale en financiële invloeden van buitenaf. Alles moet gericht zijn op het uiteindelijke doel: het welbevinden van de mensheid (Benefit of Humanity).” (Samenvatting door Nagaki)

Uit dit document kan worden afgeleid dat Kanō-shihan de situatie rond de Olympische Spelen destijds nuchter observeerde en vasthield aan zijn ideaal om het judo, dat hij zelf had gecreëerd, vrij te waren van politieke, raciale en financiële invloeden van buitenaf. Zoals ik eerder al had aangegeven, kondigde Kanō-shihan in de periode waarin dit document is opgesteld ook zijn ideeën over een “Judo Wereld Federatie” aan. Ik denk dat hij daarom vol inzette op een wereldwijde verspreiding van de idealen van het judo (Seiryoku Zen’yō en Jita Kyōei).

Judo is als kunst en wetenschap niet gebonden aan politieke, internationale, raciale en financiële invloeden van buitenaf. Alles moet gericht zijn op het uiteindelijke doel: het welbevinden van de mensheid.

De tijd ging verder. Het naoorlogse wereldjudo begon met de International Judo Federation, die zich vooral op Europa richtte, en leidde via de organisatie van het wereldkampioenschap en de officiële toevoeging van judo in 1964 op de 18e Olympische Spelen van Tokio naar de ontwikkelingen van vandaag. Het lijdt geen twijfel dat dit zonder de wapenfeiten van Kanō-shihan allemaal nooit mogelijk zou zijn geweest. Ik heb echter sterk het gevoel dat we daarbij nooit zijn laatste wens mogen vergeten, namelijk dat de wereldwijde ontwikkelingen altijd moeten zijn gebaseerd op de idealen van het judo.

Kousuke Nagai.jpgKōsuke Nagaki
Professor aan de faculteit Sport en Gezondheid, Hosei University

Advertenties

De ōsotogari: allemaal in ganzenpas

De ōsotogari: allemaal in ganzenpas

Als Japanoloog heb ik soms een andere kijk op judo dan de gemiddelde judoka. De gemiddelde judoka  in Nederland is meestal iemand die op gevoel heeft leren judoën, dingen vaak weer van zijn of haar leraar heeft geleerd en zich het judo op een praktische wijze eigen heeft gemaakt. Dingen zijn dan zo omdat ze zo zijn, of omdat ze goed voelen, of omdat er een eigen uitleg aan is gehangen, al dan niet wetenschappelijk onderbouwd. Waarbij moet worden aangetekend dat “de gemiddelde judoka” natuurlijk niet bestaat, maar dat het wel zo is dat de een meer of minder met zijn hoofd dan wel motoriek “denkt”.

Geen natuurtalent

Ik was vroeger (en waarschijnlijk nog steeds) altijd beter met mijn hoofd dan met mijn handen, en ben dus niet via de sport, maar via de Japanse taal het judo in gerold. Dat heeft zowel voordelen als nadelen. Het nadeel is dat ik geen natuurtalentje ben, dingen vaak verstandelijk moet beredenen alvorens ik überhaupt iets kan bewegen, en nieuwe technieken maar met moeite kan overbrengen naar het motorisch geheugen. Het voordeel is dat ik de Japanners begrijp en versta, dat ik direct contact met ze heb, en dat ze me dus ook heel precies kunnen vertellen hoe iets moet of niet moet, en waarom dat dan zo is.

Veel judoka respecteren dat: ze zijn bereid om dingen ondanks mijn lagere graad en slechtere techniek aan te nemen, of in ieder geval net zo lang met mijn inbreng aan de slag te gaan totdat het met hun eigen plaatje klopt. Er vindt dan een schitterende symbiose plaats tussen iemand die heel goed kan bewegen en iemand die heel goed kan lezen, en samen zetten we dan een fantastisch product neer.

Maar iemand die goed kan bewegen heb ik niet altijd bij de hand, waardoor mijn verstandelijke boodschap niet altijd goed aankomt bij judoka die op gevoel judoën. Dat leidt soms tot misverstanden.

Zoals laatst, bij mijn uitleg over de ōsotogari. Die maak ik als volgt:

Let vooral op het deel na 3.06: het maaibeen wordt vér naar voren gezwaaid, alsof je in een ganzenpas loopt, en er is sprake van een gelijktijdige duwende (tsurite = kraaghand) en trekkende beweging (maaibeen) die een koppel en daarmee een rotatie van uke veroorzaakt. Voor veel mensen was deze ganzenpas en de uitleg over koppel nieuw, en als shodan die het soms ook nog beroerd voordoet en in een klas met alleen maar zwartebanders tamelijk zenuwachtig is, krijg je niet snel het voordeel van de twijfel.

Belangrijk detail. Dit is geen gewone video die ik toevallig op YouTube heb gevonden. Het is een video van Judo Channel, het officiële kanaal van de Kodokan. Dit is dus hoe de Kodokan wil dat je de worp uitvoert. Sterker nog, deze video’s zijn speciaal bedoeld voor de Japanse jeugd.

Wat ik wil propageren in dit blog en in elke dojo waar ik sta, is Japans judo: het judo zoals het bedoeld is, het judo zoals dat in Japan wordt beoefend. Moeten we alles wat uit Japan komt dan voor zoete koek slikken? Natuurlijk niet: over details wordt  binnen Japan nog voldoende gediscussieerd, bevestigt ook Naoki Murata (8e dan, hoofd van de bibliotheek van de Kodokan en voorzitter van de Japanese Academy of Budo). Maar de hoofdlijnen zijn duidelijk, en als je daarvan afwijkt, moet je wel met een verdomd goed verhaal komen. Dit is in ieder geval mijn verhaal.

“Anai Takamasa: Ōsotogari betekent grote buitenwaartse maai. De maai moet dus groot zijn.”

Voorbeeld 1 (Anai Takamasa, 4e dan)

Eerst nogmaals de video:

Deze video wordt gepresenteerd door Anai Takamasa (4e dan). Hij heeft in 2009 brons gewonnen op het wereldkampioenschap en is winnaar van de 2010 World Champions in Tokio. Een van zijn specialismen? Volgens deze pagina is dat de ōsotogari.

Vanaf 3.06 wordt het interessant. Anai vertelt: “Ōsotogari betekent grote buitenwaartse maai. De maai moet dus groot zijn.” Laat dat even op je inwerken. Dit is natuurlijk een waarheid als een koe.

We gaan verder. Op 3.11 zie je Anai een ganzenpas maken. Punt 8 verschijnt in beeld: “Zwaai het maaibeen ver omhoog en bewaar een goede lichaamshouding door ver voor je uit te schoppen.”

Anai Takamasa presenteert in deze video namens de Kodokan de volgende negen punten:

  1. Breng je lichaam naar voren om uke naar achteren te duwen.
  2. Houd uke met zijn kraag tegen je aan, zodat er tijdens deze beweging geen afstand tot uke ontstaat.
  3. Trek uke naar buiten door met de pink van de hikite (mouwhand) naar buiten te wijzen.
  4. Breng uke volledig op zijn standbeen.
  5. Sta recht voor uke en stap recht naast hem.
  6. Bewaar een voetbreedte afstand tussen je eigen standbeen en dat van uke.
  7. Wijs met je tenen recht vooruit in de werprichting.
  8. Zwaai het maaibeen ver omhoog en bewaar een goede lichaamshouding door ver voor je uit te schoppen.
  9. Houd uke de hele worp vast met zowel de tsurite (kraaghand) als de hikite (mouwhand), zodat uke met zijn hele rug plat op de mat komt (mijn persoonlijke ervaring is trouwens dat het bij deze uitvoering knap lastig kan zijn om je evenwicht te bewaren; dat komt echter goed uit, want dit punt zorgt ervoor dat je elk eigen balansverlies op uke kunt verhalen, zodat hij nog meer door de mat wordt geduwd).

Al deze punten komen langs vanaf 4.20.

“Shin’ichi Shinohara: Een ōsotogari maak je niet alleen met de kracht van je voet. Je gebruikt de kracht van je armen én de kracht van het maaibeen.”

Voorbeeld 2 (Shin’ichi Shinohara, 6e dan)

Vervolgens een video van Shin’ichi Shinohara (zesde dan), tweevoudig wereldkampioen, één keer tweede van de wereld, twee keer derde van de wereld, en tweede op de Olympische Spelen: Zijn absolute specialisme? Volgens deze pagina is dat de ōsotogari.

Deze video is al wat ouder (en dus groezeliger). Hij vertegenwoordigde de officiële lijn van de Kodokan een aantal jaar geleden en komt van hetzelfde Judo Channel.

Op 1.14 wordt het interessant. Je ziet opnieuw de ganzenpas. Hij verschijnt zelfs nog als punt in beeld: “been met de tenen ver omhoog.” Vanaf 1.40 wordt er verteld over 偶力 gūryoku, ofwel koppel. De commentator legt kort uit wat een koppel in de natuurkunde inhoudt. Op 1.59 komt de tekst: “Een ōsotogari maak je niet alleen met de kracht van je voet. Je gebruikt de kracht van je armen én de kracht van het maaibeen. Door deze tegelijkertijd uit te oefenen, ontstaat er een koppel, waardoor de partner geroteerd en geworpen wordt.”

Genoeg stof tot nadenken, zou je zeggen. En dit zijn nogmaals dus geen video’s van wedstrijdjudoka met trucjes die alleen die wedstrijdjudoka kunnen, maar presentaties die judoleraren in Japan laten zien wat ze hun leerlingen moeten vertellen. En naast de Kodokan bestaat er in Japan erg weinig op judogebied.

Voorbeeld 3 en 4 (Kōsei Inoue, 6e dan)

Kōsei Inoue (6e dan), winnaar van het Olympisch goud in Sydney en huidig hoofdcoach van het Japanse judoteam, maakt de ōsotogari op exact dezelfde wijze. Hier legt hij hem in het Engels uit tijdens een seminar in Engeland:

Let goed op bij 0.45: het been van Inoue zwaait ver omhoog. Dat is geen toeval. Op 1.07 doet hij het weer. Nog een video van Inoue:

Ook hier zien we hetzelfde verschijnsel, al komt het been van Inoue nu iets minder hoog. Het principe blijft echter hetzelfde. Zie 0.30. Er verschijnt tekst in beeld: groot stappen. Wat hier precies mee wordt bedoeld, wordt al snel duidelijk: dat been moet hoog. Rond 0.55 wordt verteld dat dit het geheim is achter een krachtige ōsotogari.

Voorbeeld 5 (Haruki Uemura, 9e dan)

Haruki Uemura (9e dan) is het hoofd van de Kodokan, zeg maar de baas van het judo in de hele wereld. Hier zien we hem les geven aan een paar Roemeense dames in de Kodokan in Tokio.

Op diverse momenten zie je zijn leerlingen het been hoog opzwaaien. Bijvoorbeeld op 2.45. Op 2.51. Op 2.56. Op 2.59. Uemura knikt goedkeurend. Op 3.17 pakt tori uke en wordt het been opnieuw hoog opgezwaaid. Uemura kijkt instemmend toe. Dat gaat de hele video zo door.

“Toshirō Daigo: Zwaai het been ver omhoog… De werking van de ōsotogari berust op koppel.”

Voorbeeld 6 (Toshirō Daigo, 10e dan)

Ten slotte hebben we Toshirō Daigo nog, 10e dan judo, hoofdinstructeur van de Kodokan en de auteur van Kōdōkan Jūdō, de absolute bijbel op judogebied van maar liefst 715 pagina’s. In het deel Nagewaza spendeert hij alleen aan de ōsotogari al 18 pagina’s. Op pagina 129 en 130 vertelt hij:

201701152101071000
Het koppel van de osotogari, uit de judobijbel van Daigo.

“De ōsotogari gaat schitteren als je krachtig zwaait met je rechterbeen. Daarvoor strek je je rechterknie, zwaai je het been ver omhoog, gebruik je de veerkracht van het linkerstandbeen, laat je je bovenlichaam naar voren vallen en duw je met beide handen naar achteren. Als je al deze handelingen in één keer concentreert, krijg je een scherpe techniek.

De werking van de ōsotogari berust op “koppel”.

Als gelijke krachten in tegengestelde richtingen vanaf twee punten inwerken op een object, noemen we dit samenspel van krachten een koppel. Als dit koppel in werking treedt, ontstaat er een roterende beweging.

 Bij de ōsotogari verstoren we de balans van uke naar achteren. Als de duwende kracht van het bovenlichaam en beide handen enerzijds en de kracht van het maaiende been in gelijke mate en tegelijkertijd optreden, is er sprake van een koppel. Het lichaam van uke roteert en valt hard naar achteren. Bij een effectieve techniek valt uke op zijn achterhoofd.

 Over het algemeen wordt de ōsotogari bij kakarigeiko en uchikomi zodanig geoefend dat je alleen het geluid hoort van de borstkassen die tegen elkaar aankomen. Het bovenlichaam stuitert herhaaldelijk terug naar achteren en het been wordt herhaaldelijk omhoog gezwaaid. Op deze manier kun je geen kuzushi bij uke bewerkstelligen. Integendeel: je eigen lichaam krijgt een kuzushi naar achteren. Je kunt dan niet hoog maaien, en de kans bestaat zelfs dat er een tegenaanval komt.

 De ōsotogari is een techniek waarbij je maait met het rechterbeen. Bij de uchikomi moet tori dus krachtig maaien met rechts en moet uke daar met voldoende kracht op reageren. Het is belangrijk dat beide partijen tijdens de repeterende oefeningen continu een krachtige balans weten te bewaren.”

Voorbeeld 7 (Sander Huijding, 4e dan)

Hetzelfde verhaal wordt ook in Nederland verteld. Bijvoorbeeld op deze pagina.

bio-v-1-8

Het koppel van de tegengestelde krachten.

Sander Huijding stelt: “De krachten F en P werken dus in tegengestelde richting op twee uiteinden van het lichaam. Hierdoor ontstaat een koppelkracht met als draaias de heupen. Hoe hoger tori zijn rechterbeen opzwaait, des te meer snelheid hij kan maken tijdens de maai, waardoor de slagingskans van de techniek groter wordt. Uke eindigt de val op zijn linkerzij voor de beide voeten van tori.”

Voorbeeld 8 (Newton en zo)

300px-koppelDan naar de natuurkunde. Op natuurkundige sites wordt uitgelegd dat een koppel een paar van tegengestelde krachten is, waarvan de som nul is, maar die wel een rotatie teweegbrengen. Als je dan alleen het been maait en uke boven alleen maar tegen je aan houdt, maak je die rotatie dus niet zo snel/krachtig als je zou kunnen, want dan is er geen koppel meer, maar alleen een verplaatsende kracht (die van het maaiende been). Je krijgt dan een translatie, en geen rotatie, terwijl rotatie juist het principe is waarop de worp is gebaseerd.

Voorbeeld 9 (Chinees worstelen)

Het is trouwens niet alleen Japan. Ook in China denken ze net als de Kodokan. Het principe berust op natuurkunde, en is dus universeel. Hier zien we wat technieken uit het Chinese 摔跤 of wel shuāijiāo. Ook hier wordt het been hoog opgezwaaid. Chi Kin Tang (zwarte sjerp, 1e graad kungfu en viervoudig wereldkampioen Choy Li Fat-kungfu) stelt: “Wat betreft de ōsotogari lijkt het mij geheel logisch om het been hoog op te zwaaien. In shuāijiāo wordt ook altijd volledig gebruik gemaakt van het hefboomeffect. Ik zou zelfs nog hoger zwaaien. Het moet allemaal wel kunnen trouwens: ik kan me voorstellen dat er in een wedstrijd niet altijd tijd voor is, en je moet oppassen dat je tijdens het zwaaien niet wordt overgenomen.”

De perfectie benaderen

Helaas is er in Nederland nog veel onbegrip over deze uitvoering van de ōsotogari. Misschien ligt dat aan de onbekendheid met de materie, ongetwijfeld ligt het ook aan mijn beroerde uitleg, en misschien ligt het ook wel een beetje aan allebei. De meeste mensen zwaaien veel minder opzichtig met dat been.

Een wedstrijdjudoka vertelde me dat er in een wedstrijd helemaal geen tijd is om dat been hoog op te zwaaien. Dat zou heel goed kunnen. Maar geldt niet voor alle worpen dat we ze niet altijd zo kunnen maken als we willen? Er is een ideale worp, uit het kata zeg maar, die je in de praktijk niet altijd zult kunnen neerzetten, omdat de omstandigheden niet altijd ideaal zijn. Maar dat is volgens mij nog geen excuus om ook in wedstrijden het ideaal niet zo dicht mogelijk te benaderen: roeien met de riemen die je hebt en kijken hoe ver je komt, is volgens mij het devies.

Dit blijkt ook uit Toshirō Daigo’s uitleg over de ōsotogaeshi, de standaardovername op de ōsotogari (in feite een ōsotogari op een ōsotogari). Omdat het been van uke zeker in een go-no-sensituatie al tegen het been van tori aanzit, heeft tori geen tijd meer om zijn been hoog op te zwaaien. In dat geval wordt het momentum van uke zonder verdere poespas direct overgenomen: want dat is op dat moment, in die omstandigheden, de beste optie.

Ik moet nóg een nuancering plaatsen. Natuurlijk is deze ganzenpas niet de one and only ōsotogari: ook de Kodokan ziet hem als een basisversie, waarop eindeloos verder kan worden geborduurd en gevarieerd. Alleen in het hierboven genoemde boek van Daigo staan al zes variaties (1 de ōsotogari waarbij tori het linkerbeen van uke naar voren zet – de versie in dit blog, 2 de ōsotogari waarbij tori het rechterbeen van uke naar voren zet, 3 de ōsotogari die wordt ingezet zodra uke zijn linkerbeen probeert terug te trekken, 4 de ōsotogari waarbij uke via zijn rechtervoet wordt neergehaald, 5 de ōsotogari waarbij het lichaam van uke een balansverstoring naar rechtsbuiten krijgt en die wordt gemaakt met het rechteronderbeen, 6 de ōsotogari die wordt gemaakt met de rechteronderrug).

Zonder de hulp van Richard de Bijl (8e dan), Aad van Polanen (6e dan) en Chi Kin Tang (zwarte sjerp, 1e graad Choy Li Fat-kungfu) was dit blog nooit tot stand gekomen. De inhoud van dit artikel wordt door genoemde personen volledig onderschreven.

Met dank aan Cor Bosman (5e dan) voor zijn correcties inzake de locatie waarop Haruki Uemura in de video lesgeeft.

Een brief van de professor (3)

Het directe doel van judo-training

De definitie van en uitleg over judo heb ik in het vorige deel al gegeven. Nu wil ik graag een gedetailleerde uitleg geven over de uitspraak: “Bij het trainen van judo harden en verbeteren we lichaam en geest door te oefenen in aanval en verdediging en door ons het wezen van deze weg lichaamseigen te maken.” Allereerst zal ik duidelijk moeten maken wat daarbij het belangrijkst is.

Oefening van aanval en verdediging

Aanvallen in het judo verdeel ik voor het gemak in drie onderdelen: nagewaza (worpen), katamewaza (controletechnieken) en atewaza (stoot- en traptechnieken). Nagewaza zijn technieken waarbij we de tegenstander in allerlei situaties en met allerlei bewegingen op de grond werpen. Katamewaza worden onderscheiden in shimewaza (verwurgingen), kansetsuwaza (klemmen) en osaewaza (houdgrepen), maar het zijn in principe allemaal technieken waarbij het lichaam, de nek en de ledematen worden gecontroleerd, zodat deze niet meer kunnen bewegen of er in ieder geval een ondraaglijke pijn ontstaat. Atewaza zijn ten slotte technieken waarbij diverse delen van het lichaam van de tegenstander worden geraakt met de handen, de voeten, het hoofd en soms een gereedschap of wapen, wat uiteindelijk leidt tot pijn of zelfs de dood. Verdediging staat dan voor de diverse bewegingen tegen deze aanvallen die op dat moment juist lijken.

Uiteindelijk komt dit allemaal aan bod, maar ik wil graag beginnen met de nagewaza. Van nagewaza bestaan ook de meeste soorten, waardoor ze binnen alle judotechnieken het belangrijkst zijn; niet alleen vanwege de genoemde theoretische complexiteit, maar ook vanuit het oogpunt van verfijndheid. Daarnaast zijn nagewaza ook voor de lichamelijke opvoeding het meest waardevol, waardoor ik het nodig vind om hier de meeste uitleg over te geven.

Omdat mensen die jiujiutsu vroeger als hobakujutsu hebben geleerd voornamelijk zijn geoefend in katamewaza, zullen sommigen de echte betekenis van nagewaza niet begrijpen en daar ook nauwelijks de nadruk op leggen. Een beter begrip van nagewaza zal echter tot diepgaande en interessante inzichten leiden. Verder zijn er drie redenen waarom iemand eerst nagewaza, en pas daarna katamewaza moet trainen. Ten eerste zijn nagewaza, zoals eerder al is gezegd, gevarieerder, theoretisch complexer en verfijnder. Daarom zijn ze moeilijk te leren als er niet snel mee wordt begonnen en niet lang mee wordt geoefend. Ten tweede zijn katamewaza-oefeningen vooral zwaar, terwijl nagewaza relatief interessant zijn en dus ook snel interesse voor judo zullen opwekken. Ten derde is het zo dat nagewaza moeilijk kunnen worden verbeterd als u eenmaal bent begonnen met katamewaza, terwijl katamewaza makkelijk zijn aan te leren als u bent begonnen met nagewaza.

Het is allemaal wat ingewikkeld, maar als de tegenstander in een wedstrijd nagewaza wil maken en ik daar met katamewaza tegenin wil gaan, kan ik naar katamewaza toe werken. Als de tegenstander echter met katamewaza inzet, kan ik daar moeilijk met nagewaza op reageren. Als iemand die goed is in katamewaza de gi van zijn tegenstander stevig vastpakt en overgaat naar newaza of een stevige beenklem, moet de tegenstander hierop reageren met kracht of een andere katamewaza. Iemand die goed is in katamewaza, maar niet goed in nagewaza, zal dus vanzelf geen nagewaza gaan gebruiken en alles met katamewaza willen doen, omdat hij niet wil verliezen. Hij zal dus steeds beter worden in katamewaza, maar op het gebied van nagewaza geen enkele vooruitgang boeken. Iemand die daarentegen goed is in nagewaza, maar niet goed in katamewaza, zal in eerste instantie naar nagewaza toe willen werken, maar als de tegenstander reageert met katamewaza zal hij alsnog gedwongen worden om over te stappen op de katamewaza waarin hij niet zo goed is. En als zijn tegenstander goed is in nagewaza, krijgt hij verder genoeg kansen om katamewaza te proberen. Om deze reden is het beter om in eerste instantie vooral nagewaza te oefenen.

Sommige mensen zullen hierop kritiek hebben: als mensen die goed zijn in nagewaza moeilijk te bestrijden zijn met nagewaza en mensen die goed zijn in katamewaza makkelijk te bestrijden zijn met katamewaza, zijn katamewaza dus belangrijker dan nagewaza. Ze zullen zeggen dat judo dan niet de nadruk moet leggen op nagewaza, maar juist op katamewaza. Deze denkwijze is echter eenzijdig en fout.

Iemand die goed is in katamewaza kan naar zijn favoriete technieken toe werken en ervoor zorgen dat iemand die goed is in nagewaza geen kans meer krijgt om zijn eigen favoriete technieken te gebruiken. Maar dat geldt alleen voor een randori in een normale dojo, en niet voor een echt gevecht. Als iemand die goed is in katamewaza zich om u heen klemt, kunt u hem in een echt gevecht te lijf gaan met stoten en trappen uit de atemiwaza, zodat hij het gevecht niet naar zich toe kan trekken.

In een echt gevecht moet u lenig kunnen bewegen, en dat kuntabf6f67cbf609a5850e625162cdfbbb9 u alleen oefenen met nagewaza. Vooral bij gevechten tegen meerdere tegenstanders moet u zowel fysiek als mentaal zijn gehard en u vrij en lenig kunnen bewegen. Dat niet alleen, het doel van judo-training is veel breder.

Als u het oefenen van nagewaza verzaakt en niet voldoende gelegenheid krijgt om onderzoek te doen naar de theorieën achter de complexiteit en verfijndheid van deze technieken, zult u het doel van uw training niet kunnen bereiken. En als u de nagewaza niet voldoende oefent en daardoor niet voldoende gelegenheid krijgt om uw lichaam vrij te kunnen bewegen, gaat de opvoedkundige waarde van het judo grotendeels verloren.

Bovenstaande maakt hopelijk duidelijk hoe belangrijk nagewaza binnen de judo-training zijn.

Jigorō Kanō (shihan)

Rectificatie

Rectificatie

De Kodokan is in het januari-nummer van haar maandelijkse tijdschrift door het stof gegaan: het blijkt dat een van de belangrijkste uitspraken van Jigoro Kano ooit vanwege een drukfout altijd fout is geïnterpreteerd. Het teken 予 (yo = zelf) had het teken 世 (yo = wereld, een homoniem) moeten zijn. De juiste tekst is:

さうして是に由って己を完成し世を補益するが柔道修行の究竟の目的である
Sō shite kore ni yotte onore wo kansei shi yo wo hoeki suru ga jūdō shugyō no kyūkyō no mokuteki de aru.

Dit heeft ook gevolgen voor de vertaling:

FOUT:
Het ultieme doel van het leren van judo is het vervolmaken en aanvullen van onszelf door te doen wat juist is.

GOED:
Het ultieme doel van het leren van judo is het vervolmaken van onszelf en verbeteren van de wereld door te doen wat juist is.

Verbetering van de wereld is volgens Kano dus een wezenlijk onderdeel van de filosofie achter judo.

Nieuwjaarsgedachten

Nieuwjaarsgedachten

Ik wil u allen een gelukkig 2017 toewensen.

Vorig jaar werden in Rio de Janeiro met veel vertoon de Olympische Spelen gehouden, nog steeds een groot evenement in de sportwereld. De beste atleten ter wereld hebben in 28 sporten en op 306 onderdelen een loodzware strijd gevoerd om hun grenzen op mentaal, technisch en fysiek gebied te verleggen. De Japanse equipe veroverde 41 medailles, waaronder 12 gouden medailles, en wist in Japan voor veel emoties en vrolijke gespreksstof te zorgen.

20160809-oyt8i50023-l
Shohei Ono wint goud in Rio met een kouchigari

Aan judo deden 136 landen en regio’s mee, met in totaal 390 atleten. De wedstrijden waren met hun goede pakking en technische aanvals- en verdedigingstechnieken over het algemeen indrukwekkend te noemen, maar er waren ook atleten die de begrippen kuzushi, tsukuri en kake volledig negeerden om te winnen om het winnen, atleten die vanuit de pakking direct overgingen naar de kake, en wedstrijden waarin alleen maar om de pakking werd gevochten door continu te blokkeren, zodat de ander geen grip kon krijgen. Ook werden er osaekomi aangekondigd die niet aan de definitie van osaekomi voldeden. Daarom zal deze definitie snel beter moeten worden afgebakend, en zullen we ons nog verder moeten verdiepen in de rol van de scheidsrechter.

Deze keer wisten 10 landen een gouden medaille binnen te slepen, waaronder voor het eerst in de Olympische geschiedenis ook Argentinië en Kosovo. Als we zilver en brons meerekenen, wisten zelfs 26 landen een medaille te behalen, zodat we kunnen stellen dat judo een solidere basis heeft gekregen en wereldwijd nog verder is verspreid. Ondertussen hebben de Japanse atleten, ondanks de zware strijd die ze moesten voeren, in totaal 12 medailles weten te behalen, waaronder 3 gouden medailles. Dat niet alleen, tijdens de wedstrijden hielden ze zich aan de etiquette, hadden ze een juiste lichaamshouding, gingen ze voor de ippon en gedroegen ze zich ook na de wedstrijd zoals het hoort. Hiermee oogsten ze veel lof bij de IJF, de functionarissen van alle landen en de toeschouwers. Ook op de Paralympische Spelen heeft de Japanse equipe 24 medailles behaald, wat veel meer is dan de vorige keer. Bij het judo wisten de vrouwelijke atleten voor het eerst een medaille te verdienen, zodat ze samen met de mannen in totaal 4 medailles mee naar huis konden nemen. Ik ben ervan overtuigd dat de inzet en energie die in Rio de Janeiro tentoon is gespreid een inspiratie kunnen vormen voor de Olympische en Paralympische Spelen van 2020 in Tokio.

Toen Jigorō Kanō het Kōdōkan-judo bedacht, streefde hij naar internationale verspreiding van het judo en benadrukte hij zijn hele leven het belang en de noodzaak van lichamelijke opvoeding. Kanō-shihan heeft niet alleen enorm veel bereikt als pedagoog, maar werd in 1909 ook het eerste Aziatische lid van het Internationaal Olympisch Comité. In die hoedanigheid heeft hij zich met hart en ziel ingezet voor de deelname van Japan aan de Olympische Spelen, dat niet alleen een feest van sport, maar ook een feest van vrede is. In 1911 richtte hij de Great Japan Sports Association op, de voorloper van de Japan Sports Association en het Japans Olympisch Comité. Een jaar later voerde hij op de 5e Olympische Spelen in Stockholm een delegatie aan bestaande uit Hyōzō Ōmori (teamleider), Yahiko Mishima en Shisō Kanaguri (atletiek), en ook daarna heeft hij zich enorm ingezet voor de eerste Olympische Spelen in Azië. Uiteindelijk won hij de herstemming van Helsinki op de algemene vergadering van het IOC vlak voor de Olympische Spelen in Berlijn van 1936 en wist hij de Olympische Spelen in 1940 naar Tokio te brengen.

kano-and-sasaki-1938-jpeg
Jigoro Kano (links) in Vancouver (1938)

Toen in 1937 echter de Tweede Chinees-Japanse Oorlog uitbrak, kwamen de Olympische Spelen van Tokio in gevaar. Mensen vonden Japan niet meer geschikt als organisator, en in 1938 vroeg men zich op de algemene vergadering van het IOC in Caïro openlijk af of de Spelen nog wel in Tokio moesten worden georganiseerd. Veel mensen waren van mening dat Japan de organisatie moest opgeven, maar Kanō-shihan wist mensen met zijn enorme overtuigingskracht achter zich te krijgen en slaagde er tegelijkertijd in om ook de Winterspelen in Sapporo binnen te slepen.

Kanō-shihan, die de organisatie van de Olympische Zomer- en Winterspelen in Japan op deze manier had veiliggesteld, wilde na de vergadering van het IOC in Caïro het graf bezoeken van zijn goede vriend en het voormalige hoofd van het IOC, baron van Coubertin, dat zich bevond in Olympia (Athene). Hij ontmoette op diverse plekken mensen van het IOC, stak de Atlantische Oceaan over en doorkruiste het Amerikaanse continent, om daarna via Seattle en Vancouver weer naar Japan terug te keren. Op het schip de Hikawa Maru leidde een verkoudheid echter tot complicaties en een longontsteking, waaraan hij op 4 mei 1938 overleed.

In juli besloot de Japanse overheid de Olympische Spelen op te geven vanwege de intensivering van de oorlog. Als de Olympische Spelen van 1940 in Tokio waren doorgegaan, zou judo zijn opgevoerd als demonstratiesport. Het blijft gissen of judo met een open klasse zou hebben gewerkt, of er gewichtsklassen zouden zijn ingevoerd, wat de regels voor de scheidsrechters zouden zijn geweest en of judo zich sneller over de wereld zou hebben verspreid.

geesink-judo
Anton Geesink wint op de Olympische Spelen van 1964, maar maant zijn team hem niet op de mat te feliciteren, om de Japanners gezichtsverlies te besparen. De Japanners zijn hem hier altijd dankbaar voor gebleven.

24 jaar later werd judo in ieder geval opgenomen in de Olympische Spelen van 1964 in Tokio. De sport had vier gewichtsklassen (alleen mannen), met 74 deelnemers uit 27 landen. Judo voor vrouwen werd als demonstratiesport opgevoerd tijdens de Olympische Spelen in Seoul, om op de Olympische Spelen in Barcelona als officieel onderdeel te worden opgenomen.

Ik heb me wel eens afgevraagd waarom Kanō-shihan wilde meedoen aan de Olympische Spelen, en waarom hij deze in Japan wilde organiseren. De Olympische Beweging is een beweging die streeft naar wereldvrede door de geest van vriendschap, solidariteit en fair play te stimuleren en mensen in de wereld via wederzijds begrip te binden. In hoofdstuk 1 van het Olympisch Handvest staat: “Het doel van de Olympische Beweging is het leveren van een bijdrage aan een vredige en betere wereld door de jeugd te onderwijzen via sport die wordt beoefend in overeenstemming met het Olympisme en haar waarden.” Kanō-shihan stelt: “Judo is de weg die leidt naar de meest effectieve inzet van de kracht van lichaam en geest. Bij het trainen van judo harden en verbeteren we lichaam en geest door te oefenen in aanval en verdediging en door ons het wezen van deze weg lichaamseigen te maken. Het ultieme doel van het leren van judo is het vervolmaken van onszelf en verbeteren van de wereld door te doen wat juist is.” Deze gedachte vertoont overeenkomsten met de idee achter de Olympische Spelen.

Vorig jaar hadden de Olympische Spelen in Rio de Janeiro 11.000 deelnemers uit 206 landen en regio’s, waaronder 601 deelnemers uit Japan. Deze periode van 104 jaar laat zien hoe de Olympische Spelen een bijdrage hebben geleverd aan de verspreiding, stimulering, uitbreiding en verbetering van sport in de wereld.

charter
Het Olympisch Handvest

Ik vind dat we ons ook vanuit het oogpunt van internationale uitwisselingen/relaties, de wereldvrede en de ontwikkeling van mensen, bewerkstelligd via de sport zoals Kanō-shihan die voor ogen had, met de hele judowereld tomeloos moeten inzetten om de Olympische Spelen van 2020 in Tokio tot een succes te maken.

Ook dit jaar zijn er diverse evenementen gepland in de Kōdōkan. We hebben vanzelfsprekend de Kōdōkan-seminars in binnen- en buitenland, en het Kōdōkan Seminar voor Jeugdtraining gaat het vierde jaar tegemoet. Dit is voor jongens, meisjes, leraren en ouders een goede gelegenheid om de basis van het judo te verbeteren, en we streven ernaar om dit alles op een positieve wijze uit te dragen. Verder zijn we van plan om ons hard in te zetten voor het Kōdōkan Youth Judo Education Camp, het Kōdōkan Internationaal Judo Seminar, leraren die ons bezoeken vanuit het buitenland, stages, begeleiding en onderricht van leerlingen, detachering van experts om te voldoen aan verzoeken uit het buitenland en de verbetering en uitbreiding van reizende seminars.

Aan het begin van dit nieuwe jaar wil ik graag melding maken van ons streven naar een continue praktische implementatie van Seiryoku Zen’yō en Jita Kyōei en de verspreiding en promotie van het Kōdōkan-judo. Het is immers onze plicht om deze vorm van judo, zoals die door onze voorgangers is opgebouwd, op de juiste wijze over te brengen op de nieuwe generatie.

Ik hoop dat ik ook dit jaar weer kan rekenen op de begeleiding, steun en medewerking van al onze leden.

haruki_uemuraTen slotte hoop ik dat het nieuwe jaar u niets dan goeds zal brengen.

Haruki Uemura
Hoofd van de Kōdōkan

Een brief van de professor (2)

Een brief van de professor (2)

Het maakt niet uit of we uitgaan van traditioneel judo of het Kōdōkan-judo waarin ik mensen onderricht: in de praktijk moet ik uitleg geven over zowel zaken die betrekking hebben op aanval en verdediging als zaken die buiten het principe van yawara vallen.

Stelt u zich bijvoorbeeld voor dat u rechtop staat en dat iemand u van achteren omarmt. Op dat moment kan ik niet vluchten als we het principe van yawara te letterlijk opvatten. Er is geen enkele manier waarop ik kan bewegen door mee te gaan in de kracht van de tegenstander. Als ik de omarming vóór ben kan ik mijn lichaam inderdaad omlaag brengen en losmaken, maar als ik eenmaal ben omarmd, rest mij niets anders dan aan die kracht weerstand te bieden.

Ik kan hiervan een praktisch voorbeeld geven: als ik op deze manier word omarmd, kan ik de twee handen van de tegenstander met mijn eigen handen tegen mijn borst drukken en de tegenstander meenemen in een salto. Daarna kan ik de tegenstander onder mij brengen en met mijn gezicht naar boven gericht op de tegenstander vallen. Op dat moment wordt het lichaam van de tegenstander tegen de grond geworpen. En omdat het gewicht van mijn lichaam momentum heeft en boven op de tegenstander terechtkomt, zal de tegenstander in de meeste gevallen een kreet slaken. Zijn omarming zal aan kracht verliezen. Als ik op dat moment mijn lichaam draai, gaan de handen van de tegenstander los.

In dit geval kunt u niet beweren dat ik heb bewogen door mee te gaan in de kracht van de tegenstander. Ik heb eerder weerstand aan deze kracht geboden en gebruikgemaakt van mijn eigen kracht. U kunt echter wel stellen dat ik mijn eigen kracht zo effectief mogelijk heb aangewend om de kracht uit de omarming te halen.

Als judotechnieken alleen konden worden gebruikt door mee te gaan in de kracht van de tegenstander, zou ik helemaal niets kunnen doen als de tegenstander niet beweegt.

Er is nog een manier om uit deze situatie te komen. Ik kan mijn lichaam bijvoorbeeld met kracht omlaag brengen terwijl ik mijn beide ellebogen omhoog til. Daarna kan ik mijn lichaam krachtig naar rechts en links draaien en met mijn achterhoofd tegen het gezicht van de tegenstander stoten. Op het moment dat hij daardoor wordt verrast, kan ik allerlei technieken inzetten, waaronder de hierboven beschreven handeling, maar in alle gevallen gaat het om handelingen waarbij ik niet meega in, maar juist weerstand biedt aan de kracht van de tegenstander. Wat blijft staan, is dat het in dat geval om een effectieve handeling gaat die als doel heeft het bevrijden van mijn eigen lichaam.

Hoe zou dat gaan als de tegenstander mijn keel probeert dicht te knijpen? Ook in dit geval kan ik mezelf niet losmaken door mee te gaan in de kracht van de tegenstander. Zelfs als ik de tegenstander werp zodat zijn greep op natuurlijke wijze verdwijnt, en zelfs als ik zijn handen draai en een klem aanleg, moet ik absoluut weerstand bieden en gebruikmaken van mijn eigen kracht. Ook in dat geval geldt dat ik op relatief effectieve wijze gebruik heb gemaakt van mijn kracht.

Als judotechnieken alleen konden worden gebruikt door mee te gaan in de kracht van de tegenstander, zou ik ook helemaal niets kunnen doen als de tegenstander niet beweegt. Ik zou niets kunnen doen om de tegenstander te bedwingen.

Judo is breder dan dat. Het kan niet anders dan dat ik iets mag doen om de tegenstander te bedwingen. Het is alleen wel zo dat ik dan zo weinig mogelijk kracht moet gebruiken om het gewenste effect te krijgen.

De bovenstaande voorbeelden hadden vooral betrekking op spierkracht, maar ook voor mentale kracht geldt dat deze afhankelijk van de situatie zo effectief mogelijk moet worden ingezet. Als de tegenstander bijvoorbeeld vol in de aanval gaat, is er geen tijd om nieuwe technieken te bedenken. De enige mogelijkheid is om goed te zijn voorbereid en te reageren zoals dat op natuurlijke wijze in mij opkomt, op basis van de technieken die ik al ken. Maar als de tegenstander niet aanvalt en zich voorzichtig verdedigt, moet ik gaan nadenken: ik moet me afvragen of ik geen nieuwe techniek kan gebruiken, en of het misschien niet beter is om iets anders te doen.

Nog een voorbeeld: als ik heb besloten om een bepaalde techniek in te zetten, mag ik bij de uitvoering daarvan niet twijfelen. Ik mag mezelf niet afvragen of de techniek wel zal werken. Ik moet in de techniek geloven en deze op resolute wijze uitvoeren. Tegelijkertijd moet ik, tot zich een kans voordoet, zo veel mogelijk mogelijkheden aflopen. Daarna zet ik gedachteloos de techniek in. Ondertussen mag ik niet verzaken en moet ik blijven proberen nog betere technieken te bedenken.

Ik heb besloten om de naam judo uit te breiden en niet alleen te gebruiken voor de meest effectieve inzet van mentale en fysieke kracht tijdens aanval en verdediging, maar in veel bredere zin, namelijk voor alle situaties waarin ook maar enigszins sprake kan zijn van een meest effectieve inzet van mentale en fysieke kracht.

Met deze uitleg wordt het moeilijk om de uitleg over aanval en verdediging volledig te baseren op het principe van yawara. Wat in ieder geval vanuit zowel fysiek als mentaal perspectief over de verschillende judotechnieken gesteld kan worden, is dat u altijd moet kiezen voor de meest effectieve methode. We moeten dus stellen dat de meest effectieve methode van aanval en verdediging gelijkstaat aan de meest effectieve inzet van mentale en fysieke kracht.

Ik weet niet zeker waar het teken jū uit jūdō en jūjutsu vandaan komt, maar het kan bijna niet anders dan dat het is gebaseerd op het principe van yawara. Aangezien de methode van aanval en verdediging voor een belangrijk deel wordt bepaald door het principe van yawara, moeten we het grote geheel judo of jiujiutsu noemen, ook als we ons bij de beoefening baseren op andere principes.

Ik heb besloten om de naam judo uit te breiden en niet alleen te gebruiken voor de meest effectieve inzet van mentale en fysieke kracht tijdens aanval en verdediging, maar in veel bredere zin, namelijk voor alle situaties waarin ook maar enigszins sprake kan zijn van een meest effectieve inzet van mentale en fysieke kracht.

Sommige mensen hebben daar misschien kritiek op. Ze zullen zich afvragen of we de meest effectieve inzet van mentale en fysieke kracht in een politieke, diplomatieke, militaire of commerciële context ook judo moeten noemen.

Ik kan dat zonder twijfel bevestigen. Hoewel politieke, diplomatieke, militaire en commerciële zaken in wezen verschillen van het principe van aanval en verdediging uit het judo, kunnen er uit judo wel degelijk vormen worden geleerd die op veel meer zaken van toepassing zijn, mits men de eigen mentale en fysieke kracht op basis van hetzelfde principe zo effectief mogelijk inzet om het doel te bereiken.

Mocht de wereld al een naam hebben bedacht voor een zo effectief mogelijke inzet van mentale en fysabf6f67cbf609a5850e625162cdfbbb9ieke kracht, dan vind ik het niet meer dan vanzelfsprekend dat we de naam judo alleen nog maar gebruiken voor aanval en verdediging. Maar voor zover ik weet, bestaat een dergelijke naam nog niet.

Via onderzoek ben ik erachter gekomen dat de methode voor aanval en verdediging moet zijn geschoeid op de meest effectieve inzet van mentale en fysieke kracht, en dat dit principe van toepassing is op alle zaken in de wereld. Ik vond dat het nodig was om dit gebruik van kracht een naam te geven, en ik ben deze naam ook voor andere zaken gaan gebruiken. Daarom heeft de naam judo betrekking op veel meer dan alleen de inzet van mentale en fysieke kracht tijdens aanval en verdediging.

Door ons hiervan bewust te zijn tijdens het bewandelen van de weg en het leren van de principes van aanval en verdediging zoals die tot nu toe bij judo ter sprake zijn gekomen, krijgen we inzicht in het grotere geheel en kunnen we op veel meer terreinen de vruchten van onze inzet plukken.

Uit: Jūdō, 2016 DECEMBER, vol. 87 No. 12, Jūdō Hongi (2)

De verspreiding van het Japanse Kōdōkan-judo

20161129_235054Sinds april dit jaar span ik mij als voorzitter van de Prefecturale Judobond van Nagano samen met judoliefhebbers uit de prefectuur op diverse vlakken in voor de verspreiding van het Kōdōkan-judo en een gezonde opvoeding van de jeugd.

Ik ben in aanraking met judo gekomen toen ik in de 4e klas van de basisschool zat. In ons dorp werd een veldwachter gestationeerd die een groot liefhebber van judo was. De veldwachter wilde judoles geven in het buurthuis om zorg te dragen voor een gezonde opvoeding van de kinderen, en vroeg mijn vader of hij geen judomatten kon regelen. Mijn vader, die een tatami-zaak dreef, repareerde een aantal tweedehands tatami en doneerde deze. Daarna begon ik zelf ook met judo. Tot dat moment had ik mij elke dag op het schoolplein vermaakt met honkbal en sumo, maar na de oprichting van de dojo van de veldwachter gingen de weerspannige kinderen uit het dorp en omstreken volledig over op judo.

s-dsc01841
Een tatami-maker

In die tijd werden er op de onderbouw van middelbare scholen (en op de bovenbouw van middelbare scholen voor jongens) overal buitenschoolse activiteiten voor judo georganiseerd en kon ik dus ook op de middelbare school met judo verder. De kinderen die les van de veldwachter hadden gekregen gingen bijna allemaal op schooljudo, en het grootste deel ging daar zelfs mee door in de bovenbouw. Tegenwoordig hebben we te maken met diversifiëring van sport en dalende geboortecijfers, waardoor het aantal kinderen dat aan judo doet enorm is afgenomen. Ook door het sociale klimaat, dat ontberingen lijkt te schuwen, is het aantal middelbare scholen waarop judoles wordt gegeven en daarmee het aantal leerlingen extreem laag geworden, wat heeft geleid tot een krimpende populatie van wedstrijdjudoka.

…het sociale klimaat, dat ontberingen lijkt te schuwen…

Deze krimpende populatie heeft dan ook nog eens te maken met talloze problemen, zoals ernstige ongelukken en intimidatie, en bevindt zich daardoor in een crisis. In dit stuk wil ik als vertegenwoordiger van de leden van de Prefecturale Judobond van Nagano daarom graag mijn persoonlijke visie geven op de verspreiding van het Kōdōkan-judo.

Een juiste overlevering van judo

Kanō-shihan licht toe: “Judo is de weg die leidt naar de meest effectieve inzet van de kracht van lichaam en geest. Bij het leren van judo harden en verbeteren we lichaam en geest door te oefenen in aanval en verdediging en door ons het wezen van deze weg lichaamseigen te maken. Het ultieme doel van het leren van judo is het vervolmaken van onszelf en het verbeteren van de wereld door te doen wat juist is.” (Zie ook deze blog.) Deze doctrine mogen we tijdens het lesgeven nooit uit het oog verliezen.

Het ultieme doel van het leren van judo is het vervolmaken van onszelf en het verbeteren van de wereld door te doen wat juist is.

Op toernooien en seminars wordt er normaliter een toespraak gehouden door de voorzitter, en ik grijp deze kans dan ook altijd met beide handen aan. Op toernooien vertel ik dat je met open vizier moet strijden en moet streven naar een ippon, dat je als winnaar niet naast je schoenen moet gaan lopen, dat je als verliezer niet moet gaan zitten mokken, en dat etiquette erg belangrijk is (zie ook deze blog). Op seminars vertel ik dat je moet streven naar vervolmaking van jezelf, en dat je dit moet laten doorwerken in het dagelijks leven door een bijdrage te leveren aan de maatschappij. Op deze manier geef ik bij atleten en studenten blijk van mijn verwachtingen op het gebied van winnen, verliezen, fysieke training en mentale groei.

maxresdefault
De prefectuur Nagano in Japan, waar eerder de Olympische Spelen zijn gehouden

Veiligheid bij judo en inzicht in de pedagogische waarde

Er wordt gezegd dat veel kinderen tegenwoordig hun toevlucht nemen tot balsporten zoals voetbal, honkbal en basketbal, maar zelfs als je rekening houdt met de dalende geboortecijfers vind ik niet dat het aantal budoka in andere krijgskunsten dan judo (zoals kendo, karate en kyudo) sterk afneemt. Ik denk dat dit komt omdat de ouders van tegenwoordig weten dat budo een grote rol speelt bij de vorming van mensen. We moeten er in ieder geval voor zorgen dat judo een veilige sport wordt, en inzicht krijgen in de pedagogische waarde ervan.* Daarvoor moeten we allereerst streven naar een beter imago van de sport zelf door actief gebruik te maken van alle mogelijke media (daaronder valt ook het organiseren van judo-evenementen), zodat kinderen met budo-interesse judo wíllen leren, en ouders die in budo geloven hun kinderen judo láten leren. Voor de opvoeding van kinderen geldt dat ook de koers voor de lange termijn moet worden bepaald.

*In Japan gebeuren relatief veel ernstige ongelukken met judo, omdat het vooral op scholen vaak wordt onderwezen door onervaren docenten.

Introductie van lessen in het middelbaar onderwijs

12%e6%9c%88%e5%8f%b7%e8%a1%a8%e7%b4%99
Het decembernummer van Judo, het officiële tijdschrift van de Kodokan

Het aantal bovenbouw-leerlingen in onze prefectuur dat op de middelbare school nog judoles volgt, is met 66% gedaald ten opzichte van tien jaar geleden en bevindt zich daarmee in een kritieke fase. Voor prefecturale teamcompetities geldt dat het aantal scholen waarop leden zich kunnen organiseren is afgenomen. De situatie is de laatste jaren zelfs dusdanig dat alle scholen mee kunnen doen, terwijl deze vroeger eerst regionale voorrondes moesten doorlopen. Eén oorzaak hiervan is het feit dat de judoactiviteiten op diverse scholen zijn opgeheven. Ervaren adviseurs werden overgeplaatst en vervangen door onervaren mensen, wat leidde tot een afname in het aantal leden. Om deze impasse te doorbreken, heb ik de prefecturale onderwijscommissie gevraagd om ervaren judo-instructeurs op de juiste plekken neer te zetten en begeleiders, die de aantrekkingskracht van judo op leerlingen wel weten over te brengen maar zelf nog geen ervaring hebben, op te laten leiden door zowel de bond als de onderwijscommissie. Ik denk ook dat het op de lange termijn nodig zal zijn om ervaren instructeurs naar goed aangeschreven middelbare scholen te sturen en zo veel mogelijk judoka naar een universiteit met een lerarenopleiding te laten gaan, zodat ze later naar het middelbaar onderwijs kunnen terugkeren als instructeur. Eén instructeur kan in een periode van 40 jaar wel 600 judoka opleiden.

Het is echter ook noodzakelijk om mensen te laten slagen voor het algemene toelatingsexamen voor schoolleraren. En ten slotte zijn er nog talloze andere zaken die moeten worden besproken met de prefecturale onderwijscommissie, zoals voorkeursplaatsing bij middelbare scholen waarop nog judoles wordt gegeven.

Ik realiseer me steeds meer dat ook wij bij de verspreiding van de hoogstaande traditionele cultuur die judo heet geen afwachtend beleid moet voeren, maar grip moeten krijgen op de wensen van kinderen en ouders, zodat aan de behoefte van leerlingen kan worden voldaan zonder de kenmerken van het judo zelf te veranderen.

Laatst heb ik iets interessants gelezen in een tijdschrift. “In het tijdperk waarin Japan een snelle groei doormaakte en de consument nog koopkracht had, gold het motto: als je een goed product maakt, kun je het ook met een afwachtend beleid verkopen. Tegenwoordig verrichten bedrijven echter nauwgezet onderzoek naar de leefomgeving en economische omstandigheden van hun kopers om te begrijpen wat deze kopers willen. Op basis daarvan bedenken en maken ze producten en diensten, en stellen ze de prijzen vast. Daarnaast bedenken ze een advertentiestrategie die de koper met zekerheid weet te bereiken, en zetten ze een distributieroute op waarmee de koper het product eenvoudig in handen kan krijgen. Het op deze manier opzetten van structuren die sterk rekening houden met de koper heet marketing. Het is een van de vele strategieën die je kunt volgen”, aldus de tekst die ik onder ogen kreeg.

Ik realiseer me steeds meer dat ook de Prefecturale Judobond van Nagano bij de verspreiding van de hoogstaande traditionele cultuur die judo heet geen afwachtend beleid moet voeren, maar grip moet krijgen op de wensen van kinderen en ouders, zodat aan de behoefte van judoleerlingen kan worden voldaan zonder de kenmerken van het judo zelf te veranderen. Onder het motto van “tsutomereba kanarazu tassu” (hard werk wordt altijd beloond) moeten we onze uiterste best gaan doen om het Japanse Kōdōkan-judo te verspreiden.

Uit het voorwoord van Jūdō, het tijdschrift van de Kōdōkan, december 2016. Door Yoshio Kiuchi, voorzitter van de Prefecturale Judobond van Nagano.

 20161129_233642