Mijn eigen verhaal

Mijn eigen verhaal

Motorisch gestoord. Dat was het oordeel van de huisarts over mij toen ik klein was. Het zou ook nooit wat gaan worden met sporten. Ik was het pispaaltje van de klas en werd altijd als laatste uitgekozen, want als je mij in je team kreeg, wist je in ieder geval zeker dat je zou gaan verliezen.

Ik heb in mijn kindertijd nog wat sportieve pogingen gewaagd, maar mijn tennisleraar stuurde me na zes weken al weg omdat ik meer naar de vogeltjes dan naar de bal keek. Hockey gaf ik na negen maanden op, toen ik eindelijk mijn eerste goal maakte: een eigen goal. Zelfs judo heb ik nog even gedaan, maar in mijn toenmalige dojo in Veenendaal heerste een machocultuur en stond de leraar te lachen als andere kinderen mijn judopak hadden afgepakt en ik in mijn onderbroekje door de zaal rende.

zandvoort18
Als computernerd, met een zwarte blouse

Je begrijpt dat ik al snel een grondige hekel aan sport had gekregen en me op hele andere dingen ging storten: games, computers en Japans, want dat had nou eenmaal een hogere nerd-factor dan sport en paste veel beter bij me.

We spoelen even vooruit. Ik zal een jaar of 24 zijn geweest, toen ik een auto kocht en minder ging fietsen, hetgeen zich direct vertaalde in een buik die steeds indrukwekkender begon te worden. Destijds was ik daarnaast nog fervent kettingroker, en 36 sigaretten per dag inhaleerde ik met gemak. Daardoor begon ik ook steeds meer maagproblemen te krijgen, zodat ik op een gegeven moment maagtabletten moest gaan slikken om te kunnen blijven doorroken. Zelfs twee jaar nadat ik uiteindelijk cold turkey was gestopt, kreeg ik alsnog een ernstige maagbloeding.

1929084_1106215249345_1214344_n
Noah als beginnend judoka

Toen mijn zoon Noah vijf jaar werd, dat is inmiddels zo’n tien jaar geleden, vonden we dat de jongen iets meer van zich moest leren afbijten. Hij was erg gedwee en liet een beetje met zich sollen op school. Ik nam Noah mee naar de sportschool in Leiden, die gerund werd door een zekere Aad van Polanen (zesde dan), Europees kampioen judo.

Aad was een imposante verschijning. Toen ik hem zag, wist ik meteen dat je geen ruzie met hem moest zoeken. Hij had ook iets mystieks over zich: een oosters laagje “sensei”, waardoor je bijna automatisch respect voor hem kreeg (later bleek het wel mee te vallen met die mystiek, maar wist ik veel). Ik woonde de eerste judoles van Noah bij en was meteen verkocht: dit was misschien de kans om ook iets aan mijn eigen conditie te doen. Die buik wilde maar niet weg, judo was niet alleen een fysieke, maar ook een intellectuele uitdaging (de nerd-factor!) en het had ook iets met Japan te maken, wat mij als Japanoloog natuurlijk enorm aansprak.

De eerste les vond niet plaats in de dojo, maar in Aads kantoor. Al tijdens de intake maakte hij kuzushi door het gesprek onverwacht te onderbreken met vragen als “wat is de hoofdstad van Brazilië (nee Loek, het is Brasilia)” en rekensommetjes waarop iedereen het verkeerde antwoord gaf. Ook fysiek viel het judo me zwaar. De tabak had zijn werk gedaan en meer dan drie keer opdrukken tegen de muur (!) lukte niet. Na de eerste les, waarin ik alleen maar de kesagatame had geoefend, kon ik nauwelijks nog naar huis rijden door de spierpijn in mijn armen.

1917044_1266066765533_3991393_n
De eerste pogingen tot een kosotogake in de dojo van Aad en Conny (Aads vrouw, die toen nog leefde)

Aad was een beul, en dat bedoel ik positief. De warming-up was keihard en genadeloos. In alle trainingen kwam Aads achtergrond als wedstrijdjudoka naar voren: het was hard tegen hard, we ramden elkaar door de mat, maar we deden het met plezier. Bij Aad heb ik leren vechten als een leeuw. In het begin was het hopeloos. Andere judoka keken me ietwat meewarig aan, maar Aad bleef in me geloven: ik moest het gewoon nog een keer proberen. En nog een keer. En nog een keer. Dag in, dag uit, week in, week uit. Nooit kraakte hij je af. Het was nooit slecht of waardeloos. Het kon altijd wel “nóg beter”.

_DSC7290-Edit.jpg
Aad, de Grote Vriendelijke Beul

Het feit dat ik vroeger altijd was afgekraakt, was natuurlijk niet erg bevorderlijk voor mijn zelfvertrouwen geweest, en daarom vond ik in Aad de enige leraar die me begreep en wel iets in me zag. Ik was absoluut niet zijn snelste leerling, maar door de constante aanwijzingen en aanmoedigingen verloor ik nooit de hoop en bleef ik doorgaan. En hoewel ik bij Aad bij bleef leren, stuurde hij me na een jaar of acht, toen ik inmiddels bruine band was, naar verre oorden met een missie.

Naar Spijkenisse moest ik gaan. Daar woonde Richard de Bijl, volgens Aad een van de beste leraren van Europa, die me iets moest gaan bijbrengen dat ik heel hard nodig zou hebben voor mijn zwarte-bandexamen: kata. Aad was zelf geschoold in de Busen-stijl, maar zag meer toekomst in de Kodokan.

richard
Richard, de Grote Vriendelijke Rotterdammer, predikt het judo-evangelie

Bij Richard viel mijn mond open van verbazing. In Leiden begon ik eindelijk wat te worden met mijn “bruine bandje”, maar bij Richard was ik de allerkleinste. Omgeven door mastodonten, vijfde-danners, vierde-danners, derde-danners, tweede-danners, o ja, ook nog ergens een zwarte band die de mat mocht vegen, stond ik daar als enige in het bruin. Intimiderend was het zeker.

En daar kwam Richard, destijds nog “maar” zevende dan (inmiddels achtste). Trillend gaf ik de Rotterdamse reus een slap handje, maar dat trillen bleek nergens voor nodig. Want Richard en al die mastodonten die zich fier en gestaag door Richards dojo bewogen, hadden het hart op de goede plek zitten. Echte Rotterdammers, niet altijd even elegant en diplomatiek, maar wel met de allerbeste bedoelingen en een positieve instelling. Geen woorden, maar daden. Niet lullen, maar poetsen. Aad had het goed ingeschat: dit was de dojo die me verder kon helpen.

17203230_10210916668366469_8562481363757090932_n
Met Richards mastodonten en Takahashi- en Yano-sensei van de Kodokan

Richard bleek zijn naam als kata-expert meer dan waar te maken. Een worp, de kataguruma, die bij mij continu fout ging en waar diverse experts in onze Leidse dojo al naar hadden gekeken, werd in een minuut tijd genadeloos ontrafeld tot de essentie: “als je nou je pink zo houdt”, sprak Richard, “dan lukt-ie wel”. En verrek. Zo gingen we alle worpen van het nage no kata af, en begon het langzaam maar zeker ergens op te lijken. Richard was net als Aad: een bijzonder bekwame leraar, altijd in voor een geintje en altijd opbouwend. Je werd nooit afgekraakt. Het kon alleen wel “nóg beter”.

Dat is een gave. Ik ben tijdens mijn korte leventje al talloze sport- en judoleraren tegengekomen, en je moest de mensen eens de kost geven die alleen maar kritiek leveren om anderen omlaag te halen, onder het mom van “daar word je hard van”. Geloof me, als je judo gewoon volhoudt zonder verbaal te worden afgemaakt, word je hard genoeg.

Helaas kreeg mijn toenmalige partner een onoverkomelijke blessure en stond ik er ineens alleen voor. Ik zat in zak en as: de zwarte band, voor mij inmiddels het symbool geworden voor alles waarin ik tijdens mijn leven had gefaald, verdween voor mijn ogen als sneeuw voor de zon.

Aad en Richard gingen in conclaaf, en wisten iemand zo gek te vinden die een jaar lang met mij van begin af aan het nage no kata wilde trainen. Die persoon was Marcel Heijndijk (inmiddels tweede dan). Marcel, een IT-er, leek qua denken erg op mij: ook hij was zeer analytisch ingesteld, en worpen werden dan ook regelmatig onderbroken door een korte (oké, meestal lange) preek over het hoe en waarom achter bepaalde technieken. Tijdens deze verhalen bewoog Richard zich vaak schimmig achter ons langs terwijl hij de mysterieuze woorden “riai” lispelde. Wat dat betekende, wist ik toen nog niet.

10982352_10204983291395753_2790590397815437831_n
Op zo’n enkel is het moeilijk judoën

Toen sloeg het noodlot toe. Tijdens een les over de overname van de seoinage met de taniotoshi sprong ik iets te enthousiast en werd ik door een willekeurige partner recht omlaag in plaats van naar achteren gesleurd: mijn voeten stonden aan de grond genageld terwijl ik met enorme snelheid door mijn hielen knakte. Door de klap werden mijn onderbenen letterlijk uit mijn enkels gelift, en ineens kon ik niet meer lopen. Ik hoorde ook op drie plekken in mijn onderbeen iets springen en zag daar onderhuidse bobbeltjes verschijnen. Dit was foute boel.

dick
Dick in kyoshi-zit

Dick Mulder, inmiddels vijfde dan, heeft toen zijn vrije avond opgeofferd om me met mijn eigen auto vanuit Spijkenisse weer naar Leiden te rijden (terug ging hij met de trein). Thuis sprak Dick in kyoshi-zit met mijn Japanse vrouw, die Dick Japanser vond dan alle Japanse mannen die ze tot nu toe was tegengekomen (en dat was positief – volgens mij had ze een oogje op hem)!

De volgende dag was mijn hele enkel blauw en mijn hele been (tot mijn liezen aan toe) twee keer zo dik. Enkelbanden gescheurd, en waarschijnlijk drie spiergroepen in mijn onderbeen gescheurd. Ik zeg waarschijnlijk, want hoewel judo me een stuk zekerder heeft gemaakt, is het geen wondermiddel geweest. Ik blijf een fobie voor ziekenhuizen, vliegtuigen en examens houden, en natuurlijke genezing leek me dan ook een stuk fijner dan bij de dokter op consult, die me natuurlijk onherroepelijk zou doorverwijzen naar de operatietafel, waar ze me ongetwijfeld de verkeerde narcose zouden toedienen, zodat ik dezelfde nacht nog zou komen te overlijden. Ja, angst is irrationeel, maar doe er maar iets aan.

Telefoontjes en steunbetuigingen stroomden binnen. Uit mijn dojo in Leiden, maar ook uit mijn dojo in Spijkenisse. Want al die mastodonten hadden hun hart op de goede plek en waren er voor me toen ik ze nodig had. Ik werd een half jaar teruggezet in de tijd, maar zes maanden later stond ik opnieuw met Marcel op de mat om verder te trainen.

En toen was daar eindelijk het grote moment. Richard knikte tevreden en sprak de onsterfelijke woorden: “Je bent er klaar voor.”

12794412_1026461470760431_3668684493727640461_n
Met alle mastodonten van Richard

En zo geschiede. Ik werd ingeschreven voor de examens. Inmiddels had de zwarte band een enorme symbolische betekenis voor mij gekregen. Hij zou bewijzen dat ik niet de mislukkeling was die ik tijdens sport altijd was geweest, en dat alles kan als je maar hard genoeg wilt. 七転八起, nana-korobi ya-oki, zeven keer vallen, acht keer opstaan: dat was inmiddels de levensfilosofie geworden die ik ook al mijn leerlingen op onze Japanse taalschool probeerde mee te geven.

Maar stel nou dat het examen zou mislukken? Dat zou dan bewijzen dat ik er al die tijd naast had gezeten: dat iemand die voor een dubbeltje is geboren nooit een kwartje zou worden, dat leerlingen op mijn taalschool die meer moeite hadden met de stof, het ondanks al hun inzet uiteindelijk niet zouden redden. Mijn hele leven zou een leugen zijn. Voor mij persoonlijk hing er dus nogal wat van af.

13497690_1084710318284630_3748693182595222565_o
Aad en Richard houden een feestje in onze Leidse dojo

Allemaal wat overtrokken misschien, maar het laat wel zien hoe ik op dat moment (en eigenlijk nog steeds) in het judo stond. Al twee maanden vóór het examen deed ik ’s nachts natuurlijk geen oog meer dicht. Onzekerheid en grenzeloos perfectionisme zijn sowieso twee eigenschappen die elkaar versterken, waardoor je al snel in een vicieuze cirkel terechtkomt.

Peter
Peter, mijn beste en enige examinator ooit

Het examen zelf werd afgelegd bij Peter Lagewaard, ooit derde van de wereld en een ontzettend aardige kerel. In zekere zin was dit een pak van mijn hart, want tijdens het examen had ik al genoeg aan mijn hoofd. Op een mislukte sasae-tsurikomi-ashi na ging de kata (vooral dankzij Marcel, mijn fantastische uke) best aardig, maar bij het staande werk begonnen de zenuwen me toch parten te spelen. Vanwege mijn chronische neuspoliepen adem ik standaard door mijn mond, waardoor mijn gehijg nog meer opvalt dan bij anderen en elk gebrek aan conditie genadeloos wordt blootgelegd. Zich vergapend aan het hijgend hert dat voor hem stond, grapte Peter dat de EHBO, die naast de jury zat, het niet langer verantwoord vond om me staand door te laten gaan, waarna ik naar de grond moest. Dat brak het ijs, en ik kon eindelijk lachen. Makkelijk werd het zeker niet, en na een half uur werd het me letterlijk zwart voor de ogen, maar op dat moment had ik ook zoiets van: doodgaan is niet erg, als Peter het maar mooi vindt.

12239930_10206862704539907_5285690930515949748_n
Met Marcel, en intens gelukkig met zwart

Na het examen werd ik bij de tafel geroepen. Peter schudde me de hand en zei “arigatō gozaimasu”. Dat betekent “dank je wel” in het Japans. Peter dacht echter dat het “gefeliciteerd” betekende en snapte niet waarom ik geen gat in de lucht sprong. Ik dacht dat ik was gezakt. Later hebben we daar nog hartelijk om gelachen.

Met zwart is mijn pad in het judo eigenlijk pas net begonnen. Maar de symbolische waarde is nogmaals enorm. Ad Rebel (zevende dan) zei ooit tegen mij: een zwarte band mag je op je cv zetten. Het maakt je misschien niet de beste judoka van Nederland, maar het laat de wereld wel zien dat je vastberaden bent, de juiste mentaliteit hebt en nooit opgeeft.

Natuurlijk heb ik regelmatig aan opgeven gedacht. We zijn allemaal mensen. Maar wat ik, ondanks de fitties die wel eens gaande zijn in de judowereld, aan alle kanten proef, is dat we het beste willen voor elkaar. Persoonlijke groei bereiken, en daar samen in staan. Ja, we zijn mensen. Mensen worden jaloers. Mensen kennen afgunst. Iedereen heeft die eigenschappen. Ik ook. Maar dat moet je wegdrukken. Je móet elkaar het beste gunnen. Dat is een van de dingen die judo ons leert: 自他共栄, jita kyōei, voorspoed voor jezelf én anderen.

14141568_10209105293163221_7889153292932223271_n
Via Richard ben ik in contact gekomen met de Kodokan. Zoals ik altijd zeg: in Richards dojo wandel ik tussen goden. Hier sta ik met  mijn zoons Noah (15, alias de Stille) en Aska (9, alias de Ninja) naast Shiro Yamamoto-sensei (negende dan) van de Kodokan. Yamamoto-sensei schijnt soms over de mat te vliegen in plaats van te lopen, maar alleen als niemand kijkt.

Ik zal nooit blaken van zelfvertrouwen en altijd een beetje onzeker blijven. “Zo bén je”, zou Aad zeggen. Maar judo heeft er wel de scherpe kantjes afgehaald. En ik zie het ook als een kracht: veel mensen komen juist op judo omdát ze onzeker zijn, en die mensen begrijp ik. Ik spreek hun taal en kan ze vertellen hoe het mij is vergaan. Als een kluns als ik het kan, kan iedereen het leren!

jita
Jita kyōei: voorspoed voor jezelf én anderen

Dit zou allemaal nooit zijn gelukt zonder de geweldige begeleiding van mijn twee grote voorbeelden op het gebied van judo: Aad en Richard, twee mensen die me nooit hebben afgekraakt, maar altijd hebben opgebouwd. Jullie hebben geen idee hoe belangrijk jullie voor mij zijn geweest, en zijn.

Ik sta nu voor nieuwe uitdagingen. Ik heb inmiddels de lerarenopleiding mogen afronden, maar moet nog een tweede dan halen om alles officieel te beklinken. Ik weet op dit moment trouwens nog niet eens zeker of ik dat ook ga doen: ook voor het lerarenexamen kon ik twee maanden niet slapen, dus ik vrees dat ik eerst nog wat andere, persoonlijke issues moet oplossen, want ik zal echt iets stress-bestendiger moeten worden.

14925700_10209710577774958_4185101325179282359_n
Steven, mijn mattie op de mat, houdt me scherp

Dus geniet ik nu even van het judo, zonder meteen te moeten presteren. Samen met Steven de Ridder (nog heel even bruin), Peter Groen (blauw) en Hetty Mejor (groen) uit Leiden mag ik nu onder toeziend oog van Aad lesgeven aan judoka in Leiden. Samen met Steven mag ik onder toeziend oog van Richard lesgeven aan de mastodonten uit Spijkenisse. Ik ben een beetje een warhoofd en erg vergeetachtig, en Steven fluistert me regelmatig dingen in die ik vergeet te doen of te vertellen.

En het blijft trouwens vreemd om tijdens zo’n les niet alleen de kinderen maar ook de vijfde-danners te vertellen hoe ze moeten judoën (we hebben nogal wat eh… spreiding in de les), maar ze spelen het spelletje fantastisch mee en geven na afloop feedback op wat beter kan. Judoën doe je nooit alleen, en dat wordt in Spijkenisse en Leiden wel bewezen.

Wat een geweldige sport. Dank jullie wel. Aad, Richard, Dick, Peter, Marcel, Steven, mastodonten uit Spijkenisse en matties uit Leiden: zonder jullie was het nooit gelukt.

12373377_10207014101404734_9212457331741473207_n
Mijn zijden Kodokan-band met de tekst 七転八起, nana-korobi ya-oki, zeven keer vallen, acht keer opstaan

 

 

Advertenties

De grote spraakverwarring

De grote spraakverwarring

Vraag een moderne Japanse judoka om de kubinage te laten zien, en hij zal je met een vertwijfelde blik aankijken. In het Kodokan-judo bestaat de kubinage namelijk niet. Toch is het een worp die je in Nederland vaak tegenkomt. Dat hebben we voornamelijk te danken aan Mikinosuke Kawaishi (1899-1969), een Japanner die een grote rol heeft gespeeld bij de verspreiding van het judo in Europa. In zijn judobijbel My Method of Judo wordt de kubinage genoemd op pagina 46, waar de techniek wordt geclassificeerd als een heupworp. Het grappige is dat deze kubinage afwijkt van de kubinage zoals ik die heb geleerd in mijn dojo, een dojo die sinds een paar jaar (en als een van de laatste dojo’s in Nederland) is overgestapt van Kawaishi- naar Kodokan-naamgeving.

kawaishi_kubinage

Let goed op het linkerbeen van tori, dat op de middelloodlijn van uke staat. Dit is de kubinage zoals Kawaishi die predikte. In onze dojo zag de kubinage er meer zo uit:

kawaishi_koshiguruma

Tori stond evenwijdig aan de voeten van uke.

Er zijn dus binnen Nederland sowieso meerdere versies van de kubinage in omloop. Om het verhaal nog ingewikkelder te maken, blijkt de versie van de kubinage in onze dojo in feite een koshiguruma à la Kawaishi te zijn, want figuur 57 hierboven is afkomstig uit Kawaishi’s uitleg over de koshiguruma.

Volgens Kawaishi waren de twee belangrijkste verschillen tussen zijn kubinage en zijn koshiguruma:

1) de stand van de voeten van tori (loodrecht op of juist evenwijdig aan de voeten van uke) en

2) het feit dat tori bij de koshiguruma zijn hand niet via een aparte handeling achter de nek van uke zet en uke van begin tot eind boven aan zijn linker-revers vasthoudt (bron: My Method of Judo, pagina 47).

Met die kennis van zaken blijkt de kubinage in onze dojo dus een soort kruising tussen de kubinage en koshiguruma van Kawaishi te zijn geweest, want wij deden onze hand wel rond de nek van uke, maar kwamen met de benen uit in de stand van Kawaishi’s koshiguruma (alleen stond bij ons het linkerbeen van tori wel binnen).

kubinage_kanji

Links het woord kubinage, rechts het woord koshiguruma. Kubinage bestaat uit twee tekens: kubi (nek) en nage (worp).  Ook koshiguruma bestaat uit twee tekens: koshi (heup) en kuruma (rad).

evolutie_kubiHet teken voor kubi 首 (nek) is een ideogram van een hoofd met haar. Hiernaast zie je hoe het teken is geëvolueerd en gestileerd.

Het teken voor nage 投 (worp) bestaat uit drie delen. Links zien we 扌, een ideogram van te (hand). Rechtsboven zien we een几 (tateboko = lans) die opnieuw met een iets andere 又 (te = hand) overeind wordt gezet. In zijn geheel staat het teken voor het overeind zetten van een lans door deze met de hand bijvoorbeeld in de aarde te werpen.

Het teken voor koshi 腰 (heup) bestaat ook uit drie delen. Links zien we 月, een afkorting van 肉 (niku = vlees). Rechtsboven vinden we 臼 (twee handen), dat men later is gaan schrijven als呂 (ruggengraat) Rechtsonder vinden we 囟 (fontanel of hoofd), dat men later is gaan schrijven als 女 (vrouw). Twee handen die een hoofd fijnknijpen, later de ruggengraat van een vrouw: in beide gevallen ging het om iets dun of slank maken. Gecombineerd met het vleselijke deel links krijgen we dus een dun of slank deel van het lichaam, ofwel de heup (zoals die volgens het schoonheidsideaal zou moeten zijn).

Het teken voor 車  (kuruma = kar) kun je op z’n kant zetten. Je ziet dan letterlijk een kar met twee wielen. Een andere betekenis is rad, ook iets met draaiende onderdelen.

Kubinage en koshiguruma betekenen dus letterlijk nekworp en heuprad. Er is verder weinig magisch aan, en een diepere betekenis dan dat moeten we er dan ook vooral niet achter zoeken.

Met deze kennis van zaken is het niet vreemd dat Kawaishi de kubinage een kubinage noemde: de hand van tori die naar de nek gaat en deze later omlaag drukt is een wezenlijk onderdeel van deze worp. Bij de koshiguruma daarentegen is sprake van een roterende beweging van uke rond de heup van tori. De rest is een kwestie van interpretatie, maar dit zijn de zaken die van een kubinage een kubinage maken en van een koshiguruma een koshiguruma.

kodokan_koshigurumaZoals gezegd bestaat er in de Kodokan geen kubinage. Wel een koshiguruma. De kodokan definieert deze als volgt:

腰車は、首の後ろを抱きかかえるようにしながら、後腰に乗せ、車が回転するように相手を投げる技です。

Koshiguruma wa, kubi no ushiro wo dakikakakeru yō ni shinagara, ushirogoshi ni nose, kuruma ga kaiten suru yō ni aite wo nageru waza desu.

De koshikuruma is een techniek waarbij je de ander werpt door deze als het ware achter zijn nek te omhelzen, op de achterkant van je heup te laden en als een rad te laten roteren.

daigo_koshigurumaDe worp heeft dus drie cruciale ingrediënten: de achterkant van de nek, het laden op de heup en de rotatie. Opvallend is dat de Kodokan de benen gewoon in het midden plaatst, dus niet voorbij het been van uke (in onze dojo noemen we dat altijd het knipperlicht of een richtingaanwijzer). Ook in de judobijbel van Daigo, waarvan alleen de beschrijving van de tewaza en koshiwaza al 280 pagina’s in beslag neemt, komen de benen van tori niet voorbij uke. Het is een echte heupworp, waarbij je de heup diep moet indraaien, zodat het lichaam van tori bijna haaks op dat van uke komt te staan (zie foto rechts).

Nu zou dit allemaal slechts een kwestie van semantiek zijn, ware het niet dat we in Nederland een kata hebben dat je wel mag voordoen op judo-examens, maar dat door de Kodokan niet wordt erkend. Dat is overigens geen kritiek: ik vind het go no sen een geweldige kata die de principes van overname heel mooi demonstreert. Maar een van de redenen waarom de Kodokan bij het zien van deze kata wellicht moet slikken, is de gigantische spraakverwarring die rond deze kata is ontstaan.

Het gaat dan om handeling zeven en acht, te weten de overname van de kubinage met een ushirogoshi, en de overname van de koshiguruma met een ukigoshi. Je kunt deze vinden in de definitieve richtlijnen van het Go-no-sen-no-kata, zoals vastgesteld door de  Nationale Graden Commissie Judo van de Judo Bond Nederland. De richtlijnen zelf zijn samengesteld door Berber Roorda en Mark Bette (en ja, ik ben er trots op dat ik Mark ook wel eens op Facebook spreek)!

gonosen_kubinage
De kubinage in het go no sen

Wat we bij handeling zeven (de kubinage, zie foto links) zien is de kubinage van Kawaishi, maar dan niet met de linkervoet van tori op de middelloodlijn door uke’s benen, maar met de linkervoet schuin voor de linkervoet van uke. De rechtervoet staat rechts naast uke’s rechtervoet (omdat de go no sen een overname-kata is en tori uiteindelijk wordt geworpen, wordt tori in dit kata trouwens uke genoemd – om het allemaal makkelijker te maken)! Omdat ik niet op het kata, maar op de spraakverwarring rond de worpen wil ingaan, ga ik er echter voor het gemak vanuit dat er geen overname plaatsvindt en noem ik degene die de eerste worp uitvoert gewoon tori (er vindt geen overname plaats).

 

gonosen_koshiguruma
De koshiguruma in het go no sen

Bij handeling acht (de koshiguruma, zie foto links) zien we het rechterbeen voorbij de benen van uke komen: het knipperlicht, zoals we dat in onze dojo noemen.

Al deze informatie leidt tot de volgende tabellen (uitgaande van de kake-fase, niet de tsukuri-fase van de worp)…

 

Kubinage Kawaishi Kubinage Kodokan Kubinage Go no Sen
Linkervoet tori Middelloodlijn X Volgens foto’s voor linkervoet uke
Rechtervoet tori Achter en buiten rechterbeen uke X Achter en buiten rechterbeen uke
Pakking tori Van revers naar nek X Van revers naar nek

 

Koshiguruma Kawaishi Koshiguruma Kodokan Koshiguruma Go no Sen
Linkervoet tori Linksbuiten evenwijdig Binnen Schuin links voor linkervoet uke
Rechtervoet tori Rechtsbuiten evenwijdig Binnen Rechtsbuiten evenwijdig
Pakking tori Hoog in revers Van revers naar nek Volgens foto’s hoog in revers

Deze verschillen zijn ongetwijfeld een stuk minder belangrijk tijdens wedstrijden: het is maar net hoe je het beestje noemt en welke variatie je gebruikt. Maar bij gebruik in kata kan er verwarring optreden. In de officiële Japanse judo-kata komen geen van beide worpen voor (de kubinage sowieso niet, omdat die in Kodokan-judo niet bestaat). Ook de wel bestaande koshiguruma komt niet voor in Japanse kata. Maar in de oorspronkelijke, naar waarschijnlijkheid Britse go no sen komen beide worpen voor, en dan is het goed om te weten waarom er af en toe spraakverwarring kan optreden.

Nu is het niet vreemd dat de katavorm van een worp anders is dan de gangbare “wedstrijdvorm”. De seoinage uit het nage no kata is heel anders dan de spierballenworp die je buiten het kata zo veel tegenkomt (hoewel ik een van de weinigen lijk te zijn die de katavorm ook buiten de kata lekker vind werken – misschien een kwestie van gewenning)?

koga_koshigurumaDat geldt ook voor de koshiguruma. Toshihiko Koga, Olympisch kampioen, doet de koshiguruma bijvoorbeeld zoals links is te zien: de hand om de nek dus (à la kubinage) en zijn benen rond de middelloodlijn, met het rechterbeen ver onder uke door, opnieuw à la kubinage. Als Koga zijn rechterbeen niet in het midden had gezet, maar buiten het rechterbeen van uke om, krijg je in principe de kubinage van Kawaishi, die ongetwijfeld trots op Koga zou zijn geweest.

Die spraakverwarring is dan ook absoluut niet iets waar we ons voor hoeven te schamen. Maar een beetje bewustzijn kweken, dat kan geen kwaad!

Na plaatsing van dit artikel gaf Mark Bette (5e dan) mij nog de volgende geweldige anekdote, die dit blog lijkt te staven:

markbetteMark Bette: Ik liet tijdens een van mijn buitenlandse toernooien, waar ik samen met een docent van de Kodokan op de mat stond, ons go no sen zien. In het filmpje waren de namen van de technieken opgenomen. Bij alle technieken was het: “Wow, great, very good”, behálve bij de kubinage en koshiguruma. Daar fronste de docent licht zijn wenkbrauwen. Hij liet een stilte vallen en zei toen: “Interesting…”