Mijn verwachtingen van judo als budo-activiteit

Ik ben bijzonder vereerd met het feit dat ik deze keer een bijdrage mag leveren aan het tijdschrift Judo.

Mijn kennis van het judo is slechts oppervlakkig, maar desalniettemin wil ik deze kans graag aangrijpen om onze academie aan u voor te stellen en mijn gedachten over het hedendaagse judo uiteen te zetten. Allereerst wil ik u meer vertellen over de Nihon Budō Gakkai (Japanese Academy of Budo). De Japanese Academy of Budo is opgericht op 3 februari 1968 en viert volgend jaar haar 50-jarig bestaan. De academie heeft momenteel (in januari 2017) 874 leden en beschikt in het hele land over zeven afdelingen. Bij de leden staan vooral activiteiten van universitaire instructeurs centraal, maar de organisatie bestaat daarnaast uit instructeurs uit het basisonderwijs/middelbare onderwijs en budo-specialisten. Verder zijn er per categorie speciale werkgroepen (judo, kendo, karate-do, kyudo, sumo, naginata, G-budo) en wordt er binnen elke categorie toegespitst onderzoek verricht.

Belangrijke activiteiten van de academie zijn momenteel het organiseren van conferenties waarop lezingen over academische onderzoeken worden gehouden (algemene lezingen, symposia, toespraken) en het uitgeven van het tijdschrift Budōgaku Kenkyū (Onderzoek naar Budo-kunde). Verder zijn we bezig met de Engelse vertaling van onze website (www.budo.ac), waarop we de academische resultaten van onderzoeken op budo-gebied pro-actief met de wereld willen delen, en de organisatie van internationale budo-bijeenkomsten voor uitwisselingen met budo-onderzoekers en academies in het buitenland. We zijn van plan om volgend jaar op de Kansai University de tweede internationale budo-bijeenkomst te organiseren ter ere van de 50e academische conferentie.

website
Het Engelstalige gedeelte van de website van de Japanese Academy of Budo.

Sinds de oprichting van de academie zijn er op symposia en dergelijke wezenlijke discussies gevoerd over concepten en karakteristieken van budo, maar vooral sinds budo in 2012 een verplicht vak is geworden op de onderbouw van middelbare scholen, is er veel onderzoek verricht naar praktische problemen rond de invoering daarvan. Er spelen momenteel diverse thema’s. Bij de verplichtstelling van budo in de onderbouw van het middelbaar onderwijs is het enorm belangrijk om de pedagogische doelstellingen te verwezenlijken die nodig zijn voor de ontwikkeling van kinderen via budo (judo), en de maatschappij vraagt zich opnieuw af wat de pedagogische waarde van budo (judo) daarbij kan zijn. Ook wordt een zeer grote betekenis toegekend aan de verspreiding van judo. Van de eerste- en tweedejaars leerlingen in de onderbouw is het percentage jongens landelijk gezien bijvoorbeeld 63.4%; het percentage meisjes bedraagt 61.0% (Budō nado no Shidō Seikai no Kenshō [Chōsa Hōkokusho]: Chōsa Kenkyū Kyōryokusha Kaigi, Japan Sports Agency, Ministerie van Onderwijs, Cultuur, Sport, Wetenschap en Technologie, 2016).

Op basis van een totaal aantal onderbouwleerlingen van 3.400.000 en een beoefeningspercentage van 60% in 2016 kunnen we dus stellen dat meer dan 2.000.000 leerlingen in de onderbouw ervaringen opdoen met judo. Omdat zich buiten de Chūtairen (Nippon Junior High School Physical Culture Association) nog eens 25.000 jongens en 8000 meisjes bezighouden met buitenschoolse activiteiten (Statistische Documentatie 2016 van de Nippon Junior High School Physical Culture Association), maakt een zeer groot aantal leerlingen dus voor het eerst kennis met judo. Op de middelbare scholen zelf bestaat er een tekort aan instructeurs en is er vraag naar kwaliteitsverbetering. Vanuit trainings- en wedstrijdorganisaties voor instructievaardigheden en kwaliteitsverbetering worden specialisten uitgezonden ter ondersteuning van cursussen voor de ontwikkeling van medewerkers, maar daarnaast bestaat er ook behoefte aan verdere ondersteuning vanuit judo-organisaties zoals de Kodokan.

Ik wil verder nog iets zeggen over trends binnen de judo-wereld. Allereerst heb ik enorm veel respect voor alle mensen die ervoor hebben gezorgd dat de Japanse atleten zulke fantastische resultaten konden bereiken op de Olympische Spelen in Rio en het wereldkampioenschap, en dat alles in een tijd waarin het judo zich internationaal enorm heeft ontwikkeld als sport. Er is echter ook kritiek geuit op het feit dat het Japanse jūdō zich als Olympisch onderdeel steeds meer richting het westerse JUDO beweegt en nauwelijks nog budo genoemd kan worden.

Op dat moment, in november vorig jaar, verschenen er in alle kranten artikels over wijzigingen in de scheidsrechterregels van de International Judo Federation. Tot nu toe waren de regels op elke Olympische Spelen weer anders. Deze keer zijn de yūkō en awase-waza ippon afgeschaft en is de wedstrijdduur voor zowel mannen als vrouwen verkort naar vier minuten, dit alles ter bevordering van het streven naar een ippon. De reacties van de betrokkenen over de afschaffing van de yūkō en awase-waza ippon zijn het algemeen positief, maar de gedachte om de wedstrijdduur te verkorten zodat deze aantrekkelijker wordt voor toeschouwers is duidelijk beïnvloed door de Olympische commerciële gedachte zoals we die sinds de Spelen in Los Angeles van 1984 steeds meer zijn gaan zien.

“Globalisering” en “internationalisering” van het Japanse jūdō zijn twee verschillende dingen. Het competitieve en gepopulariseerde judo, dat als Olympisch onderdeel reeds wereldwijd erkenning geniet, moet op democratische wijze worden gereguleerd door de International Judo Federation. De realiteit daarbij is dat mensen met verschillende zienswijzen de regels vanuit hun eigen perspectief willen wijzigen en daardoor op allerlei manieren met elkaar in botsing zullen komen. Ik vind het echter belangrijk dat Japan daarbij in zowel technisch als theoretisch opzicht het voortouw neemt, om te voorkomen dat de essentie van het judo wordt verdraaid en de kwaliteit daardoor achteruitgaat.

Ik denk dat het op een moment als dit belangrijk is om terug te vallen op de leer van Jigorō Kanō, de oprichter van het Kōdōkan-judo: Seiryoku Saizen Katsuyō (optimale inzet van kracht) en Jita Yūwa Kyōei (wederzijdse voorspoed voor en verbondenheid met uzelf en anderen).

In het begin van de Meiji-periode (1868-1912) moest alles worden verwesterd onder het mom van “beschaving en verlichting” en “afschaffing van het boeddhisme”. Oude denkwijzen en gewoonten werden genadeloos overboord gegooid. Kanō-shihan was bang voor deze tijdgeest en ging zichzelf in het jiujiutsu bekwamen. Via de traditionele technieken van ons land ontdekte hij de waarde van harding van lichaam en geest en begon hij te vertellen over de pedagogische waarde van judo voor Japan. Verder sprak hij de wens uit dat mensen zich de mentaliteit van krijgers eigen maakten: “Het is met recht waardevol om problemen te kunnen overwinnen, te kunnen volharden in geduld, trouw te kunnen zijn aan principes en integriteit te kunnen handhaven. Ik wil dat mensen die zich bekwamen in het judo deze denkwijze van de krijger vasthouden. Daarvoor is het allereerst noodzakelijk om uzelf goede gewoonten eigen te maken. Het gaat hierbij om eenvoud, spaarzaamheid en denken aan uzelf, maar tegelijkertijd ook denken aan anderen en de maatschappij. Vanzelfsprekend mag uw eigen gerief niet ten koste gaan van anderen: voor zover mogelijk gaat het hier om een houding die zowel uzelf als anderen ten goede komt. Het ultieme doel van het leren van judo is dan ook het vervolmaken van onszelf en het verbeteren van de wereld. (Jigorō Kanō, “Jūdōka ni Zehi Motte Ite Moraitai Seishin”, [Yūkō no Katsudō], deel 6, nummer 5, april 1920).

“Uw eigen gerief mag niet ten koste gaan van anderen. Judo is een houding die zowel uzelf als anderen ten goede komt.”

In de Taishō-periode (1912-1926) uitte Kanō-shihan tijdens een radio-uitzending verder verzuchtend de volgende kritiek: “U kunt zeggen dat het een vooruitgang is dat veel mensen aan judo zijn gaan doen, maar het feit dat steeds meer judoka proberen te winnen door hun armen uit te strekken en met hun heupen naar achteren te gaan staan, is eerder een achteruitgang te noemen.” (Jigorō Kanō, “Kaiko Jūrokunen”, [Kyōiku] nummer 457, uitgegeven door Meikeikai, mei 1921). Toen al wees Kanō-shihan dus op de problemen die ontstonden bij judo als sport.

Ik hoop niet dat judo zal verworden tot een kweekvijver voor mensen die worden geprezen omdat ze zich ten doel hebben gesteld te gaan winnen om het winnen. Ik denk dat Kanō-shihan er juist naar streefde om zo veel mogelijk Japanners te kweken die via judo wereldwijd het voortouw konden nemen.

“U kunt zeggen dat het een vooruitgang is dat veel mensen aan judo zijn gaan doen, maar het feit dat steeds meer judoka proberen te winnen door hun armen uit te strekken en met hun heupen naar achteren te gaan staan, is eerder een achteruitgang te noemen.”

Was het judo zoals Kanō-shihan dat voor ogen had immers niet gebaseerd op de unieke bewegingscultuur van Japan, namelijk het budo? Bij de vorming van judo als budo-activiteit op basis van historisch en maatschappelijk onderzoek dat terugvoert naar de tijd waarin krijgers hun intrede deden is het volgens mij ook belangrijk om te kijken naar de jiujiutsu-stromingen en mensen die Kanō-shihan hebben beïnvloed.

Ik verwacht dan ook dat de Kōdōkan haar onderzoek zal verdiepen en aan de wereld een sterk signaal zal afgeven waarin de budo-aspecten van judo duidelijk naar voren komen.

Ten slotte wil ik de hoop uitspreken dat de kernwaarden van het Japanse jūdō zich zullen blijven ontwikkelen.

fuminori-nakiriFuminori Nakiri
Voorzitter Japanese Academy of Budo
Professor emeritus aan de Tokyo University of Agriculture and Technology

Advertenties