De verspreiding van het Japanse Kōdōkan-judo

20161129_235054Sinds april dit jaar span ik mij als voorzitter van de Prefecturale Judobond van Nagano samen met judoliefhebbers uit de prefectuur op diverse vlakken in voor de verspreiding van het Kōdōkan-judo en een gezonde opvoeding van de jeugd.

Ik ben in aanraking met judo gekomen toen ik in de 4e klas van de basisschool zat. In ons dorp werd een veldwachter gestationeerd die een groot liefhebber van judo was. De veldwachter wilde judoles geven in het buurthuis om zorg te dragen voor een gezonde opvoeding van de kinderen, en vroeg mijn vader of hij geen judomatten kon regelen. Mijn vader, die een tatami-zaak dreef, repareerde een aantal tweedehands tatami en doneerde deze. Daarna begon ik zelf ook met judo. Tot dat moment had ik mij elke dag op het schoolplein vermaakt met honkbal en sumo, maar na de oprichting van de dojo van de veldwachter gingen de weerspannige kinderen uit het dorp en omstreken volledig over op judo.

s-dsc01841
Een tatami-maker

In die tijd werden er op de onderbouw van middelbare scholen (en op de bovenbouw van middelbare scholen voor jongens) overal buitenschoolse activiteiten voor judo georganiseerd en kon ik dus ook op de middelbare school met judo verder. De kinderen die les van de veldwachter hadden gekregen gingen bijna allemaal op schooljudo, en het grootste deel ging daar zelfs mee door in de bovenbouw. Tegenwoordig hebben we te maken met diversifiëring van sport en dalende geboortecijfers, waardoor het aantal kinderen dat aan judo doet enorm is afgenomen. Ook door het sociale klimaat, dat ontberingen lijkt te schuwen, is het aantal middelbare scholen waarop judoles wordt gegeven en daarmee het aantal leerlingen extreem laag geworden, wat heeft geleid tot een krimpende populatie van wedstrijdjudoka.

…het sociale klimaat, dat ontberingen lijkt te schuwen…

Deze krimpende populatie heeft dan ook nog eens te maken met talloze problemen, zoals ernstige ongelukken en intimidatie, en bevindt zich daardoor in een crisis. In dit stuk wil ik als vertegenwoordiger van de leden van de Prefecturale Judobond van Nagano daarom graag mijn persoonlijke visie geven op de verspreiding van het Kōdōkan-judo.

Een juiste overlevering van judo

Kanō-shihan licht toe: “Judo is de weg die leidt naar de meest effectieve inzet van de kracht van lichaam en geest. Bij het leren van judo harden en verbeteren we lichaam en geest door te oefenen in aanval en verdediging en door ons het wezen van deze weg lichaamseigen te maken. Het ultieme doel van het leren van judo is het vervolmaken van onszelf en het verbeteren van de wereld door te doen wat juist is.” (Zie ook deze blog.) Deze doctrine mogen we tijdens het lesgeven nooit uit het oog verliezen.

Het ultieme doel van het leren van judo is het vervolmaken van onszelf en het verbeteren van de wereld door te doen wat juist is.

Op toernooien en seminars wordt er normaliter een toespraak gehouden door de voorzitter, en ik grijp deze kans dan ook altijd met beide handen aan. Op toernooien vertel ik dat je met open vizier moet strijden en moet streven naar een ippon, dat je als winnaar niet naast je schoenen moet gaan lopen, dat je als verliezer niet moet gaan zitten mokken, en dat etiquette erg belangrijk is (zie ook deze blog). Op seminars vertel ik dat je moet streven naar vervolmaking van jezelf, en dat je dit moet laten doorwerken in het dagelijks leven door een bijdrage te leveren aan de maatschappij. Op deze manier geef ik bij atleten en studenten blijk van mijn verwachtingen op het gebied van winnen, verliezen, fysieke training en mentale groei.

maxresdefault
De prefectuur Nagano in Japan, waar eerder de Olympische Spelen zijn gehouden

Veiligheid bij judo en inzicht in de pedagogische waarde

Er wordt gezegd dat veel kinderen tegenwoordig hun toevlucht nemen tot balsporten zoals voetbal, honkbal en basketbal, maar zelfs als je rekening houdt met de dalende geboortecijfers vind ik niet dat het aantal budoka in andere krijgskunsten dan judo (zoals kendo, karate en kyudo) sterk afneemt. Ik denk dat dit komt omdat de ouders van tegenwoordig weten dat budo een grote rol speelt bij de vorming van mensen. We moeten er in ieder geval voor zorgen dat judo een veilige sport wordt, en inzicht krijgen in de pedagogische waarde ervan.* Daarvoor moeten we allereerst streven naar een beter imago van de sport zelf door actief gebruik te maken van alle mogelijke media (daaronder valt ook het organiseren van judo-evenementen), zodat kinderen met budo-interesse judo wíllen leren, en ouders die in budo geloven hun kinderen judo láten leren. Voor de opvoeding van kinderen geldt dat ook de koers voor de lange termijn moet worden bepaald.

*In Japan gebeuren relatief veel ernstige ongelukken met judo, omdat het vooral op scholen vaak wordt onderwezen door onervaren docenten.

Introductie van lessen in het middelbaar onderwijs

12%e6%9c%88%e5%8f%b7%e8%a1%a8%e7%b4%99
Het decembernummer van Judo, het officiële tijdschrift van de Kodokan

Het aantal bovenbouw-leerlingen in onze prefectuur dat op de middelbare school nog judoles volgt, is met 66% gedaald ten opzichte van tien jaar geleden en bevindt zich daarmee in een kritieke fase. Voor prefecturale teamcompetities geldt dat het aantal scholen waarop leden zich kunnen organiseren is afgenomen. De situatie is de laatste jaren zelfs dusdanig dat alle scholen mee kunnen doen, terwijl deze vroeger eerst regionale voorrondes moesten doorlopen. Eén oorzaak hiervan is het feit dat de judoactiviteiten op diverse scholen zijn opgeheven. Ervaren adviseurs werden overgeplaatst en vervangen door onervaren mensen, wat leidde tot een afname in het aantal leden. Om deze impasse te doorbreken, heb ik de prefecturale onderwijscommissie gevraagd om ervaren judo-instructeurs op de juiste plekken neer te zetten en begeleiders, die de aantrekkingskracht van judo op leerlingen wel weten over te brengen maar zelf nog geen ervaring hebben, op te laten leiden door zowel de bond als de onderwijscommissie. Ik denk ook dat het op de lange termijn nodig zal zijn om ervaren instructeurs naar goed aangeschreven middelbare scholen te sturen en zo veel mogelijk judoka naar een universiteit met een lerarenopleiding te laten gaan, zodat ze later naar het middelbaar onderwijs kunnen terugkeren als instructeur. Eén instructeur kan in een periode van 40 jaar wel 600 judoka opleiden.

Het is echter ook noodzakelijk om mensen te laten slagen voor het algemene toelatingsexamen voor schoolleraren. En ten slotte zijn er nog talloze andere zaken die moeten worden besproken met de prefecturale onderwijscommissie, zoals voorkeursplaatsing bij middelbare scholen waarop nog judoles wordt gegeven.

Ik realiseer me steeds meer dat ook wij bij de verspreiding van de hoogstaande traditionele cultuur die judo heet geen afwachtend beleid moet voeren, maar grip moeten krijgen op de wensen van kinderen en ouders, zodat aan de behoefte van leerlingen kan worden voldaan zonder de kenmerken van het judo zelf te veranderen.

Laatst heb ik iets interessants gelezen in een tijdschrift. “In het tijdperk waarin Japan een snelle groei doormaakte en de consument nog koopkracht had, gold het motto: als je een goed product maakt, kun je het ook met een afwachtend beleid verkopen. Tegenwoordig verrichten bedrijven echter nauwgezet onderzoek naar de leefomgeving en economische omstandigheden van hun kopers om te begrijpen wat deze kopers willen. Op basis daarvan bedenken en maken ze producten en diensten, en stellen ze de prijzen vast. Daarnaast bedenken ze een advertentiestrategie die de koper met zekerheid weet te bereiken, en zetten ze een distributieroute op waarmee de koper het product eenvoudig in handen kan krijgen. Het op deze manier opzetten van structuren die sterk rekening houden met de koper heet marketing. Het is een van de vele strategieën die je kunt volgen”, aldus de tekst die ik onder ogen kreeg.

Ik realiseer me steeds meer dat ook de Prefecturale Judobond van Nagano bij de verspreiding van de hoogstaande traditionele cultuur die judo heet geen afwachtend beleid moet voeren, maar grip moet krijgen op de wensen van kinderen en ouders, zodat aan de behoefte van judoleerlingen kan worden voldaan zonder de kenmerken van het judo zelf te veranderen. Onder het motto van “tsutomereba kanarazu tassu” (hard werk wordt altijd beloond) moeten we onze uiterste best gaan doen om het Japanse Kōdōkan-judo te verspreiden.

Uit het voorwoord van Jūdō, het tijdschrift van de Kōdōkan, december 2016. Door Yoshio Kiuchi, voorzitter van de Prefecturale Judobond van Nagano.

 20161129_233642

 

Advertenties

Te vroeg gejuicht

Te vroeg gejuicht

Het tonen van emoties na het winnen of verliezen van een wedstrijd is in Japan altijd al een gevoelig onderwerp geweest. Westerlingen verbazen zich vaak over het feit dat een sumo-worstelaar die het kampioenschap heeft gewonnen of de hoogste rang van yokozuna krijgt aangemeten geen spier in zijn gezicht vertrekt. Hij blijft uiterst kalm, en hij toont noch blijdschap noch verdriet. Vaak wordt dan gezegd dat de Japanners ondoorgrondelijk zijn, dat je niet achter hun gezicht kunt kijken, dat ze zich niet laten gaan. Dit berust op een misverstand.

20150817002808

Gezichtsverlies

Het ergste wat een Japanner kan overkomen is gezichtsverlies. En dat gezicht kun je op meerdere manieren verliezen. Een leraar kan zijn gezicht verliezen als een leerling tijdens de les bijdehante opmerkingen gaat maken en hem ten overstaan van iedereen op een fout wijst. Een leerling kan zijn gezicht verliezen als hij ten overstaan van iedereen door zijn leraar wordt uitgescholden omdat hij er niets van terechtbrengt.

Japanners trekken deze lijn door naar alles, ook judowedstrijden. Hoe leuk is het als verliezer om geconfronteerd te worden met een tegenstander die een rondedansje maakt om te laten zien dat hij beter kan judoën dan jij? En andersom: hoe leuk is het als winnaar om geconfronteerd te worden met een tegenstander die met zijn band gaat smijten omdat hij niet tegen zijn verlies kan? Geen van beide gedragingen getuigt van grote sportiviteit. Maar toch gebeurt het.

Zwakte

Verder zien de Japanners het tonen van dergelijke emoties als een teken van zwakte: een krijger die zich laat leiden door emoties, kan niet langer rationele beslissingen nemen en verliest het gevecht.

Het voorwoord van het tijdschrift Jūdō van de Kōdōkan is deze keer geschreven door Masayasu Funakoshi, een sportpsycholoog die stelt dat judoka die tijdens een kampioenschap te vroeg juichen, de finale uiteindelijk niet weten te halen. Hij stelt dat niet alleen, maar kan dat ook hard maken met gegevens.

Nu is het niet zo dat je in Japan nooit emoties mag tonen. Wel geldt dat er voor alles een tijd en een plek is (en als die tijd en plek er eenmaal zijn, laten de Japanners zich vaak nog veel meer gaan dan wij nuchtere Hollanders, wellicht juist omdat de mogelijkheden beperkter zijn).

Emoties tonen doe je in ieder geval niet als er serieuze arbeid moet worden verricht, en voor een judoka is het moment waarop er serieuze arbeid moet worden verricht het moment dat hij op de mat staat. Tijdens dat moment emoties tonen, wordt gezien als onprofessioneel. Het is als een rechter die tijdens het uitspreken van een vonnis in lachen uitbarst, of als een arts die tijdens een operatie een potje gaat lopen janken. Dat doe je maar buiten de rechtszaal en de operatiekamer.

91
Kosei Inoue, de huidige nationale coach van de judoka in Japan, was er zelf ook niet vies van om na de wedstrijd overwinningsgebaren te maken (Olympische Spelen in Sydney, 2000).

 

Respect voor de tegenstander

Natuurlijk leeft deze problematiek bij judo sterker dan pak hem beet atletiek. Judo is immers een krijgskunst die voortkomt uit het bushidō, een levenswijze die respect voor de vijand bijzonder hoog in het vaandel had staan. Degene die de strijd verloor, beschouwde het als een eer als hij toestemming kreeg om rituele zelfmoord te plegen. En als hij bijzonder veel respect genoot, werd hem al te veel pijn bespaard door tijdens het proces zijn hoofd af te hakken. Het is een manier van denken die destijds veel te ver is doorgeschoten, maar die ons wel kan inspireren om bepaalde dingen nu anders te doen.

Hierboven zie je de gezichten van Haruka Tachimoto en Shōhei Ōno direct na het winnen van de gouden medailles in hun gewichtsklasse in Rio. Tachimoto is moe, maar we kunnen het erover eens zijn dat beide atleten de overwinning tamelijk stoïcijns ondergaan. Misschien is een dergelijke houding niet voor iedereen weggelegd. Sommige mensen vinden het misschien zelfs onsympathiek overkomen: we zijn immers mensen, en geen robots.

Maar ik denk dat we het eens kunnen worden over het feit dat Mansur Isaev uit Rusland op de Olympische Spelen in Londen wel heel erg ver ging, zo getuige de foto hieronder.

unknown_20120731214902
Mansur Isaev na zijn overwinning op Riki Nakaya op de Olympische Spelen in Londen (2012).

Dit heeft niets te maken met het vieren van een overwinning, maar alles met het vernederen en in de grond trappen van de tegenstander, gewoon omdat het kan.

Wellicht dat sommige lezers na het zien van deze foto een heel klein beetje beginnen te begrijpen waarom het stoïcijns ondergaan van een overwinning in Japan als een soort schoonheidsideaal wordt gezien. Je hoeft het er niet mee eens te zijn, maar je kunt er wellicht begrip voor opbrengen.

Hup allebei

Ik pleit er als Nederlander niet voor om als een soort robot de mat op en af te stappen. Maar net zoals mijn leraar Aad van Polanen (6e dan) kinderen in hun waarde laat als ze een randori draaien, door iedereen aan de kant te vertellen dat ze alleen maar “hup allebei” en nooit “hup Arjen” of “hup Felicia” mogen roepen, denk ik dat we de tegenstander ook tijdens wedstrijden altijd in zijn waarde moeten laten, hoe zuur de nederlaag of hoe zoet de overwinning soms smaakt.

Tweestrijd

Kōsei Inoue, de huidige nationale coach van de Japanse judoka in Japan, was er zelf trouwens ook niet vies van om na een wedstrijd keihard te gaan zitten juichen. Tegenwoordig heeft hij daar spijt van, maar hij verkeert duidelijk nog in tweestrijd. Toch denk ik dat hij een gezonde balans heeft weten te vinden, terwijl hij zich als publiek figuur laveert tussen de oerconservatieve judoka die judo als een pure krijgskunst zien en sommige jongeren die judo vooral als een leuk spelletje beschouwen. En ja, door op die manier te laveren, bespaart hij beide partijen gezichtsverlies (!)

Op 5 oktober gaf Kōsei Inoue een persconferentie over de (overigens bijzonder goede) Japanse resultaten op de Olympische Spelen in Rio. Het lijkt erop dat de Japanners, door de focus in het reglement meer op de worpen en minder op het duw- en trekwerk te leggen, het judo weer naar zich toe hebben getrokken.

Tijdens deze persconferentie ging Inoue uitgebreid in op het vieren van de overwinning in het judo. Hieronder vind je zijn kijk op de zaak, die door mij geheel is ondertiteld. De video laat zien dat er ook binnen Japan volop over dit onderwerp wordt gediscussieerd. Ik denk dat het een uniek kijkje in de Japanse keuken biedt, want meestal houden de Japanners dit soort zaken voor zichzelf. Discussies als deze getuigen van een gebrek aan eenheid en disharmonie in eigen gelederen, en dat schept nooit een mooi beeld naar buiten toe.

(Met excuses voor de fout in de ondertiteling; ik ben ook maar een mens.)

Een brief van de professor

Een brief van de professor

Ik wil u graag kort uitleggen wat Kōdōkan-judo precies inhoudt. Daarvoor kan ik het beste beginnen bij de geschiedenis.

Het is niet zo dat judo vóór de Meiji-restauratie niet bestond, alleen werd het destijds jiujiutsu, taijutsu of in de volksmond yawara genoemd. Het doel van deze kunst was het beoefenen van aanval en verdediging. Het lijdt geen twijfel dat je hierdoor zowel fysiek als mentaal sterker werd, maar dat was niet het belangrijkste doel. Ik ben jiujiutsu pas na de Meiji-restauratie gaan leren, maar de manier van denken van zowel mijn toenmalige leraar als ikzelf was geschoeid op het oefenen van aanval en verdediging.

Na één, twee jaar begon ik echter langzaam veranderingen in mijn lichaam te zien, en na drie jaar te hebben getraind had ik me de stof verrassend goed eigen weten te maken. Ik voelde me mentaal fris, mijn prikkelbaarheid van vroeger was veranderd in geduld, mijn temperament werd langzaam minder en ik voelde daarnaast dat diverse andere mentale aspecten waren verbeterd. Ik begon me te realiseren dat de beginselen (die ik door de beoefening van aanval en verdediging was gaan begrijpen) op talloze andere aspecten van het leven konden worden toegepast. Ik bedacht me dat dit met recht een zinvolle training was, en dat ik deze kunst niet in mijn eentje moest leren, maar aan veel meer mensen moest onderwijzen.

eishouji
De Eishoji-tempel in Shitaya

Omdat ik tot de lente van 1882 nog in een logement verbleef, kon ik die wens nog niet uitvoeren, maar nadat ik in februari dat jaar een deel van de tempel Eishōji in Shitaya kon huren om daar met een aantal leerlingen te gaan wonen, kon ik mijn kennis eindelijk op deze leerlingen gaan overbrengen. Ook van buiten kwam er een aantal vrienden dan wel studenten met wie we dagelijks trainden.

Oorspronkelijk leerde ik het jiujiutsu dat Tenjin Shin’yō-ryū wordt genoemd; later leerde ik het Kitō-ryū. Daarom onderrichte ik mijn leerlingen in eerste instantie in een soort mengvorm van deze twee stromingen. Omdat het in wezen echter om totaal andere stromingen ging, vulden de voor- en nadelen elkaar aan. Ik begreep steeds meer dat je met één vorm van jiujiutsu niet tot de kern van de zaak kon komen en dat zelfs twee vormen niet voldoende waren. Daarom wilde ik onderzoek gaan doen naar een veel groter aantal stromingen.

Aan de ene kant ging ik om met instructeurs van alle stromingen om van gedachten te wisselen en overgeleverde geschriften aan elkaar te laten zien. Aan de andere kant was dit een tijd waarin de overleveringen met alle geheimen over de krijgskunsten, die vroeger door bujutsuka zorgvuldig werden bewaard, overal voor tweedehandswinkels lagen uitgestald. Ik begon deze geschriften te kopen, en mijn onderzoek begon geleidelijk aan steeds meer vruchten af te werpen. Dat kwam ook omdat judo meer was dan een methode  voor aanval en verdediging: de principes die mij als persoon hadden verrijkt konden ook in de buitenwereld worden toegepast, en zorgden voor méér dan alleen harding en verbetering van lichaam en geest.

ccleq5mukaahf36
Gedenksteen bij de tempel. Op de steen staat: de plek waar het Kodokan-judo is ontstaan.

Ik vond daarom dat ik de kunst moest aanleren als een methode voor aanval en verdediging, een methode voor onderzoek naar belangrijke principes, en een methode voor de harding en verbetering van lichaam en geest. En dat allemaal tegelijk. Daarnaast vond ik dat ik in de twee vormen van jiujiutsu de sterke punten van de stromingen moest uitlichten en hieraan de benodigde technieken moest toevoegen om een en ander af te stemmen op de wereld van vandaag.

Daarom liet ik mij bij de oprichting van de Kōdōkan niet leiden tot die ene traditionele jiujiutsu-stroming, maar stelde ik een breder doel in de vorm van onderzoek naar de principes, de harding en verbetering van lichaam en geest, en het beoefenen van een methode voor aanval en verdediging. Verder vermeed ik met opzet traditioneel gebruikte namen als jiujiutsu, taijutsu en yawara, en noemde ik datgene wat ik onderwees judo, een naam die tot op dat moment zeer zelden werd gebruikt.

Er was nog een reden waarom ik de traditionele namen vermeed. Destijds zagen veel mensen jiujiutsu en taijutsu niet zoals ik. Ze zagen niet dat er op het gebied van lichaam en geest meer winst te behalen viel, maar dachten eerder in termen als het aanzetten van verwurgingen en klemmen, het breken van botten en het toebrengen van kneuzingen en schaafwonden. Verder gaven veel jiujiutsu-meesters destijds hun positie op om zonder enige ervaring de handel in te gaan. Als ze daarin faalden, leden ze verder een zwervend en beklagenswaardig bestaan. Er waren ook mensen die de eindjes niet meer aan elkaar konden knopen en het bujutsu daarom zonder schaamte gingen etaleren als een soort show. Het was een tijd waarin veel mensen bij het horen van namen als gek-ken (kendō) en jiujiutsu in eerste instantie niet dachten aan de kostbare technieken die waren overgeleverd uit het schitterende bushidō. Ik was dus bang dat er geen leerlingen zouden komen als ik niet minstens de naam wijzigde.

Aldus, en ik herinner me dat dit speelde rond mei 1882, werd het fundament voor het Kōdōkan-judo gevormd door drie zaken: harding van het lichaam, verbetering van de geest en het trainen van wedstrijden, waarbij de studiekamer van de Eishōji als dojo fungeerde.

Destijds was ik echter nog druk bezig met onderzoek, en het Kōdōkan-judo van toen was absoluut niet te vergelijken met het Kōdōkan-judo van nu. Je mag zeggen dat het Kōdōkan-judo in haar huidige vorm is ontstaan rond 1887. Omdat er sindsdien ook continu verbeteringen werden aangebracht, lijdt het geen twijfel dat er in de periode 1887-1895 en het jaar van schrijven (1915) redelijk veel is veranderd, maar dat waren niet zo veel veranderingen als in de periode 1882-1887. Om duidelijk te maken wat judo vandaag de dag na deze stapsgewijze ontwikkeling precies inhoudt, zal ik eerst ontleden en uitleggen wat de definitie en het doel van judo is.

Wat is judo?
Judo is de weg die leidt naar de meest effectieve inzet van de kracht van lichaam en geest. Bij het trainen van judo harden en verbeteren we lichaam en geest door te oefenen in aanval en verdediging en door ons het wezen van deze weg lichaamseigen te maken. Het ultieme doel van het leren van judo is het vervolmaken van onszelf en verbeteren van de wereld door te doen wat juist is.

Eerder leerde ik mensen dat judo stond voor de beoefening van en het theoretisch onderzoek naar een discipline die de tegenstander controleerde volgens de principes van yawara. Uiteindelijk komt het op hetzelfde neer, maar de eerdere definitie was onvoldoende.

Ten eerste is het zo dat er een onlogische situatie ontstond, omdat ik eerder de volledige theorie achter het judo met mijn principes probeerde te verklaren. Oorspronkelijk werd jiujiutsu zachte kunst genoemd omdat de belangrijkste onderdelen van jiujiutsu-technieken gebaseerd waren op het principe van yawara. Daarom probeerde ik ook alles te verklaren vanuit het principe van yawara. Om duidelijk te maken waarom dat onlogisch is, moet ik eerst aangegeven wat het principe van yawara is.

Het principe van yawara gaat ervan uit dat een tegenstander met een bepaalde kracht tegen mij aan duwt. Op dat moment bied ik geen weerstand, maar geef ik mee. Ik trek mijn lichaam daarbij niet alleen terug, maar maak gebruik van de duwende kracht en trek deze in zekere mate naar mij toe. De tegenstander raakt hierdoor het initiatief kwijt en zijn lichaam gaat naar voren hellen. Met andere woorden: doordat hij zijn evenwicht verliest, zal hij makkelijker vallen. Als ik op dat moment de juiste techniek gebruik, kan ik de tegenstander eenvoudig werpen.

Als de tegenstander daarentegen aan mij trekt, geef ik opnieuw aan deze kracht toe. Ik abf6f67cbf609a5850e625162cdfbbb9beweeg daarbij niet alleen mee, maar duw harder dan dat de tegenstander aan mij trekt. Net als eerst verliest de tegenstander zijn evenwicht, maar nu in de tegenovergestelde richting. Op deze manier kan ik de tegenstander met een kleine inspanning werpen.

Ik had het net over duwende en trekkende bewegingen naar voren en naar achteren, maar dit werkt hetzelfde bij alle richtingen waarin de tegenstander zijn kracht gebruikt. In alle gevallen geef ik mee met de kracht van de tegenstander en gebruik ik deze zelfde kracht om te winnen.

Dat is het principe. Ik denk dat u nu begrijpt waar het principe van yawara voor staat.

Uit: Jūdō, 2016 NOVEMBER, vol. 87 No. 11, Jūdō Hongi (1)